Eerst goede betrekkingen, dan pas praten over de inhoud

Praten gebeurt altijd op twee niveaus: op inhoudsniveau en op betrekkingsniveau en voordat je over de inhoud kunt praten, moeten de betrekkingen goed zijn. Deze wijsheid heb ik in de zeventiger jaren opgepikt uit de publicatie De pragmatisch aspecten van de menselijke communicatie van de Amerikaanse psycholoog Paul Watzlawick e.a. en ik heb het dan ook heel praktisch opgevat. Ik gebruik het nog dagelijks, ik kan het je aanraden.

Als goede opvoeder weet je natuurlijk dat het geen enkele zin heeft om tegen je kind te praten als hij niet luistert. Eerst moet je zijn aandacht hebben, evenals zijn bereidheid om te luisteren, voordat het zin heeft iets inhoudelijks te zeggen. Als je dit niet doet, dan is dit niet alleen verspilde moeite voor dit moment, maar je laat er ook mee devalueren wat je in de toekomst te zeggen hebt. Voor je kind word je dan iemand die regelmatig geluid maakt, maar wat hij rustig kan negeren, want het heeft toch geen consequenties. Ik heb dergelijke miscommunicatie vaak moeten aanzien, heel pijnlijk en vermoeiend. Uit onvermogen of desinteresse roept een ouder iets vanaf de bank naar zijn of haar kind dat zich misdraagt en dat de opmerking totaal negeert. De ouder komt niet van de bank en roept even later opnieuw iets. Zo maak je ongezeglijke kinderen.

Als je niet eerst de betrekkingen goed vaststelt, dan blijft het opspelen. Dat zie je bijvoorbeeld in een versleten huwelijk. Iedere inhoudelijke opmerking krijgt ook een betekenis voor hun betrekkingen: ‘Jij ook altijd ..’. Vaak durft iemand die betrekkingen, oftewel hun relatie, niet ter discussie te stellen, omdat ze bang zijn de ander te verliezen. Toch is dat de keuze die je hebt: uitvechten met het risico dat het inderdaad stukloopt, of doorgaan met een steeds ziekere relatie.

Ook een bekend patroon is de politieagent die doorgaat met op gemoedelijke we-kennen-elkaar-toch-toon tegen een straatschoffie te zeggen dat hij bijvoorbeeld geen fietsen meer moet jatten, terwijl dat gastje, door voor de voeten van de agent op de straat te spugen en andere manieren, duidelijk laat zien dat hij geen enkel respect voor hem heeft. ‘Respect’ in de straatcultuur gaat over wie boven wie staat in de pikorde. Een agent die niet eerst de betrekkingen bepaalt zoals ze zouden moeten zijn en dit respectloze gedrag laat gebeuren, is niet op zijn taak berekend.

Het lijkt wel of vooral Nederlanders de autoriteitscrisis van de zestiger jaren nooit te boven zijn gekomen. Eén van de ergste uitwassen is de anti-autoritaire opvoeding geweest en ik zie nog steeds veel opvoeders en overheden hiermee worstelen. De houding is ‘autoritair gezag mag niet, dus laten we het maar waaien en we doen ons best om er een beetje blij bij te kijken’. Autoritair gezag is een bepaalde invulling van de betrekkingen en als dat niet meer voldoet, moet je een andere invulling bedenken, maar ‘geen betrekkingen hebben’ is niet mogelijk. Dit ontkennen is struisvogelpolitiek. Watzlawick omschrijft het hoofdthema van zijn publicatie als ‘communiceren over communiceren’ en stelt terecht dat ‘niet communiceren’ niet mogelijk is. Ook als je niets zegt, zeg je iets.

Goede betrekkingen houdt in dat je elkaar respecteert en dat je het er over eens bent welke betrekkingen je met elkaar hebt. Pas als de betrekkingen goed zijn, is de weg vrij om over de inhoud te praten. Dit gaat overigens over een meer ontwikkelde opvatting over ‘respect’ dan in de straatcultuur, hier gaat het om het wederzijds respecteren van elkaars eigenheid en niet alleen wie boven wie staat in de pikorde.

Zeker nu er steeds meer mensen met een andere culturele achtergrond deel uitmaken van onze samenleving is het nodig om duidelijker te worden over onze betrekkingen. ’Multi-culturele samenleving’ klinkt mij veel te veel in de oren als ‘anti-autoritaire opvoeding’. Laten we er ‘open samenleving met gemeenschappelijke kernwaarden’ van maken en er niet blij en anti-autoritair bij blijven kijken als mensen die kernwaarden met voeten treden, maar gewoon ingrijpen. Die kernwaarden staan keurig in onze grondwet beschreven, maar zouden in hun omschrijving wel hier en daar geactualiseerd moeten worden.

Op naar het nieuwe, virtuele land

Hoe zag het sociale leven er honderdvijftig jaar geleden uit, in de tijd dat de meeste mensen nog geïsoleerd woonden in kleine plattelandsgemeenschappen, voordat er gemotoriseerd vervoer was en geen fotografie, radio, televisie, telefoon, internet, mobieltjes, webcams, Facebook, Twitter, YouTube, podcasts en vodcasts, bloggers en vloggers? Als je thuis zei dat je naar de kroeg ging om een vriend te ontmoeten, was je onderweg onbereikbaar en wist niemand waar je was en wie of wat je dan tegenkwam. Mochten er in het dorp waar je had afgesproken meerdere kroegen zijn, dan kon je elkaar ook nog aardig mislopen. Stel dat het geen vriend was, maar een onbekende die een brief had gestuurd dat hij je wilde ontmoeten, dan kon je op geen enkele manier weten hoe hij eruit zag. Als er dan iemand kwam opdagen die zei dat hij degene was die je zocht, dan kon je niet vaststellen of dat klopte. Er zijn van die prachtige, aangrijpende verhalen zoals bijvoorbeeld van een echtgenoot die moest gaan vechten in een oorlog en pas na twintig jaar terugkwam en dat de achtergebleven echtgenote hem niet meer herkende, maar hem wel leuk vond en er na twee jaar hernieuwd huwelijksleven achterkwam dat zijn schoenmaat helemaal niet klopte.

Het leven was geïsoleerd, je was aangewezen op, afhankelijk van en overgeleverd aan een klein groepje mensen, er was veel sociale controle, hoewel mensen achter de voordeur veel meer dan nu hun eigen gang konden gaan, je had weinig keuze in vriendschappen en huwelijkspartners, je had weinig vermaak en gelegenheid om leeftijdgenoten te ontmoeten, er waren voortdurend misverstanden over waar een ander zich bevond, mensen konden je van alles wijsmaken, want je kon het toch niet controleren, kennis en informatie was schaars, éénoog was koning, bijgeloof, roddel en achterklap beheersten het leven, nieuws was schaars en traag, berichten klopten daardoor ook vaak niet en alles duurde vreselijk lang, of je nu ergens naartoe wilde gaan, of een berichtje wilde versturen.

Het is alsof we ergens in de afgelopen tijd zonder dat we het in de gaten hadden met z’n allen zo’n soort wildviaduct zijn overgestoken en ongemerkt in een nieuwe, virtuele wereld terecht zijn gekomen. Ineens leven we niet meer in die oude, vertrouwde wereld, met hier en daar wat leuke nieuwe technische snufjes, maar leven we in een kunstmatige wereld, met hier en daar wat aardige, traditionele snufjes.

In de nieuwe wereld gelden andere natuurwetten, hier gelden de wetten van connectiviteit (steeds meer zaken worden worden ontsloten voor het internet/the cloud), Big Data (al die zaken produceren een permanente stroom van data) en kunstmatige intelligentie (systemen, apparaten, gebouwen en infrastructuren worden ‘smart’ gemaakt, zodat ze zichzelf aansturen en daarbij onder meer verbanden leggen in al die Big Data). Niets is meer wat het was, overheden, geldverkeer, energie, infrastructuur, onze huizen, openbaar vervoer en wegverkeer, zorginstellingen, post, radio en televisie, telefonie, opleidingsinstituten, banken en verzekeraars, media, film, muziek, literatuur, copyright, privacy, misdaadbestrijding, en zo voort.

Als er nu een onbekende contact met je opneemt, zal dat niet meer per brief zijn maar via Facebook. Als hij zegt dat hij een neef van een onbekende, Amerikaanse tak van je familie van je is en je graag wil ontmoeten, dan ga je eerst eens googlen op de beste man. Klopt het dat je daar een neef hebt? Is hij wie hij zegt dat hij is? Is het inderdaad omdat kennismaking leuk zou zijn, of zit er meer achter? Als hij een link naar bijvoorbeeld zijn website heeft opgenomen, dan klik je daar door schade en schande wijs geworden, niet zo maar op. Als alles in orde lijkt, dan wissel je van tevoren mobiele nummers uit, zodat je elkaar ook onderweg kunt bereiken. Uiteraard heb je foto’s uitgewisseld, zodat je elkaar kunt herkennen. Toen ik een mailtje kreeg van een onbekende die zei dat hij de notaris van een mij niet bekende, rijke, net overleden oom was en dat ik de enige overgebleven erfgenaam was, hoefde ik al niet meer verder te lezen. Het vaststellen van iemands identiteit was altijd verraderlijk en is dat nog steeds, zij het op een andere manier.

Maar het leven is niet meer geïsoleerd. Hoewel. Met een mobieltje met lege accu wel. Of als je hem verloren hebt, of hij is gepikt. Of als kind van acht hebben je ouders besloten dat je alleen af en toe even je mobieltje mag gebruiken. Of als Google je website heeft geblokkeerd, dan besta je ook niet meer. Of als een algoritme van een veiligheidsdienst een verband legt tussen jouw activiteiten en die van foute figuren, want dan werken je bankpasjes niet meer. Of als iemand je identiteit zelf heeft gepikt. En als Facebook besluit nog indringender te gaan handelen met jouw privégegevens, sta je voor een dilemma: iets accepteren wat je onacceptabel vindt, of in onvrijwillige ballingschap gaan.

Maar je zal genoeg keuze hebben uit vrienden, dat wil zeggen Facebookvrienden. En in ieder geval is het leven niet traag.

‘Ik hoor je wel, maar versta je niet’

Een kennis van mij – inmiddels loopt hij tegen de honderd jaar – klaagt al jaren dat hij ons slecht kan verstaan. Onlangs werd er weer een nieuw gehoorapparaat aangeschaft dat de geluiden nóg beter dan de vorige zou versterken. Helaas. Toen maakte hij een opmerking die heel verhelderend was: ‘Ik hoor het wel, maar versta je niet’. Zintuiglijke waarneming is natuurlijk meer dan het oppikken van een signaal door je zintuigen. Daarna moet het nog verwerkt worden en als dat om de één of andere reden niet goed gaat dan kun je je gehoor nog zo goed maken maar ‘dan versta je me nog niet’. Maar dat vertelt zo’n gehoorwinkel er natuurlijk niet bij.

De uitdrukking ‘aan een half woord genoeg hebben’ kun je tamelijk letterlijk opvatten: de andere helft bedenk je er zelf bij. Waarschijnlijk ken je het verschijnsel ook dat iemand iets zegt maar je verstaat het niet goed, maar voordat je kon vragen wat hij zei, weet je het al. Wat er gebeurd is, is dat je de flarden van wat je wel hebt gehoord razendsnel koppelt aan de context waarin dat werd gezegd, vervolgens bedenkt wat hij gezegd zou kunnen hebben en zo alsnog ‘verstaat’ wat de ander had gezegd. En zo ‘versta’ je nog veel meer van wat hij vermoedelijk wilde zeggen en wellicht tussen de regels door wilde duidelijk maken. Tenminste als je er met je hoofd bij bent, want anders hoor je het heel goed met die prima oren van je, maar ‘versta’ je het niet.

Dat halve woord is het puntje van de ijsberg van betekenis. Wat er vaak gebeurt bij oudere mensen – niet altijd, je hebt hoogbejaarden die bewonderenswaardig scherp blijven – is dat het hele onderste deel van die ijsberg weggesmolten is en dan moeten ze het helemaal van dat halve woord hebben, of van een paar losse woorden. En dat valt niet mee, dan hoor je die woorden wel, maar je verstaat ze niet.

Ook bij de keuring voor je geschiktheid als automobilist kijken ze vrijwel alleen naar je zintuigen, je ogen in dit geval. Ik las eens een nieuwsbericht over een vrijwel blinde man die al zijn halve leven schadevrij zijn vaste route door Barcelona reed. Als je weet waar je op moet letten en die hersens doen het nog een beetje, dan kun je een heel eind komen met slechte ogen. Het geheim zit vooral in ‘weten waar je op moet letten’. Degene die dat weet is je automatische piloot, dat is degene die je jarenlang hebt getraind ‘waar je op moet letten’, een training die begonnen is bij je rijles, maar daarna nog jaren is doorgegaan. Als je op je eerste rijles de weg op gaat, dan duizelt het je, dan heb je voortdurend het gevoel dat als je de ene kant op kijkt, dat het dan aan de andere kant misgaat. Mensen kunnen maar aan een heel beperkt aantal dingen tegelijk aandacht geven. Als je voor het eerst zelf de weg opgaat, dan zijn er veel te veel dingen waar je op moet letten. Wat je automatische piloot doet, is patronen aanbrengen in al die dingen, zodat je maar een beperkt aantal patronen in de gaten hoeft te houden. Maar dat moet je hem wel leren. Onervaren automobilisten weten wat ze moeten doen, maar hun automatische piloot is nog onvoldoende getraind om veel werk over te kunnen nemen. Daardoor overzien ze allerlei situaties onvoldoende en maken inschattingsfouten. Ook jongeren kunnen maar op een beperkt aantal dingen tegelijk letten.

Jaren geleden had ik regelmatig hoofdpijn als ik ’s nachts een lange rit had gemaakt. Dat was over nadat ik een bril had aangeschaft: goede ogen zijn natuurlijk ook belangrijk en mijn hoofd moest te veel werk van mijn ogen overnemen, met hoofdpijn als gevolg. Maar als je automatische piloot hapert heb je echt een probleem.

Waar zit je verstand eigenlijk?

‘Waar zit je verstand?!’, ik hoor het mijn ouders nog zeggen. Dat was meestal om één of andere stommiteit van mij en niet omdat ze bezocht werden door een wetenschappelijke vraag. Toch was het een hele goede vraag. En heb ik nog steeds regelmatig last van ‘stommiteiten’. Zoals de keer dat ik druk aan het werk was boven op mijn werkkamer en in gedachte naar beneden liep om iets in keuken te pakken, maar toen ik daar kwam, niet meer wist wat ik daar eigenlijk deed. Wat ik in zo’n geval meestal doe, is opnieuw beginnen: weer naar boven gaan en dan weer naar beneden, maar nu wel met mijn aandacht erbij. Bijna altijd komt het dan weer boven bij een specifieke handeling, zoals het openen van een keukenkastje. En dan ineens weet ik het weer: een koffiekopje. Kennelijk was het benodigde stukje informatie net even uit mijn bewustzijn gevallen, maar zat het nog wel in mijn onbewuste, motorische geheugen. ‘Verstand’ vat ik overigens veel breder op dan je IQ, het is het geheel van je zogeheten cognitieve functies, zoals bewustzijn, het onbewuste, aandacht, geheugen, intelligentie, waarneming en taal.

In een wreed experiment werd aangetoond dat een geamputeerde tentakel van een octopus, die zich tot zeker een uur na de amputatie nog aan alles vastzuigt, een onderscheid kan maken tussen een andere tentakel van zichzelf en bijvoorbeeld een vis. De intelligentie van een octopus zit m.a.w. voor een belangrijk deel in zijn tentakels. In ieder geval voor de aansturing van zijn tentakels. In de tentakels blijken ook meer zenuwcellen te zitten dan in zijn hersenen.

Voor mij was het een eye-opener dat het niet vanzelfsprekend is dat de intelligentie van een levend wezen geconcentreerd is in zijn centrale hersenen, laat staan in een specifiek deel daarvan. Het is heel goed mogelijk dat intelligentie zich pas in de loop van de evolutie heeft geconcentreerd op één plaats. Maar als we dan toch de vanzelfsprekendheid loslaten dat intelligentie gecentraliseerd is in onze hersenen zit, kunnen we nog wel een stapje verder gaan. Zo betoogt de filosoof Jos de Mul in zijn publicatie Kunstmatig van Nature dat je het gebruik van Google en Wikipedia kunt zien als het outsourcen van onze cognitieve functies. Sterker nog, je kunt het gebruik van het schrift, duizenden jaren geleden begonnen, ook zo uitleggen. En wat dacht je van kunstmatige intelligentie, dat kan hoe dan ook overal in zitten? En al die administratieve systemen, die overigens ook steeds meer een eigen wil lijken te hebben? En alle intelligente applicaties op onze laptops en mobieltjes? En al die ‘smart’ auto’s, gadgets en gebouwen? Ons ‘verstand’ zit met andere woorden zeker niet alleen in ons hoofd.

Een ander interessant fenomeen wat betreft intelligentie is het functioneren van zo’n complexe mierenkolonie. Dit is niet te verklaren uit de intelligentie van afzonderlijke mieren: het lijkt alsof de individuele mieren onderdeel zijn van een stel gezamenlijke hersenen. Hoe dit precies in zijn werk gaat, is niet eenvoudig om te verklaren. Natuurlijk, dit heeft te maken met taakverdeling, maar hoe komt die tot stand? En wie heeft de regie? Hoe wordt er bijgestuurd? Hoe dan ook kun je een menselijke organisatie zien als een mierenkolonie. Tot op zekere hoogte dan. Een organisatie is in staat tot dingen waartoe afzonderlijke werknemers niet in staat zijn. Ook is een (goede) organisatie meer dan de som van de werknemers, een organisatie gaat altijd na verloop van tijd een eigen leven leiden. Dit laatste is overigens ook vaak juist een probleem, de organisatie is zo met zichzelf bezig, dat vergeten wordt dat het ook nog een ‘missie’ naar buiten toe heeft. Er wordt gesproken over ‘de intelligente organisatie’ als iets waar we apart actie voor moeten ondernemen, maar is een organisatie niet per definitie intelligent? Natuurlijk kan het altijd beter, maar als er sprake is van verschillende rollen en een taakverdeling, dan ‘denk’ je toch samen?

Om bij de oorspronkelijke vraag terug te keren: ons verstand zit zeker niet alleen in ons individuele, bewuste, rationele denken. Ons verstand zit verspreid over een grote hoeveelheid hoofden in de diverse groepen waar wij deel van uitmaken en over onze steeds intelligenter wordende omgeving.

Maar wat is verstand of intelligentie eigenlijk?

Hierboven gebruikte ik een aantal termen losjes door elkaar: verstand, intelligentie, cognitieve functies. Nu weer even terug naar het kernbegrip, intelligentie. Wat ik nodig heb is een definitie van intelligentie die toepasbaar is op individuele wezens, groepen en artefacten als robots, computers en gebouwen.

David Wechsler, van de bekende IQ-testen, definieerde intelligentie als het vermogen doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief om te gaan met de omgeving. Die definitie is te beperkt voor mijn doel. Het perkt het begrip in tot een menselijke eigenschap, en dan ook nog tot onze rationele vermogens.

De Engelse term ‘intelligence’ heeft de volgende betekenissen: een denkend, rationeel wezen, ‘onstoffelijke geest’, (geheime) informatie, inlichtingendienst en een dienst die inlichtingen kan verschaffen.

Twee Nederlandse onderzoekers, Wilma Resing en Pieter Drenth omschreven het begrip intelligentie ongeveer als volgt (alles uit Wikipedia): Intelligentie is een conglomeraat van verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden, zoals:

  • abstract, logisch en consistent kunnen redeneren,
  • relaties kunnen ontdekken, leggen en doorzien,
  • problemen kunnen oplossen,
  • regels kunnen ontdekken in schijnbaar ongeordend materiaal
  • met bestaande kennis nieuwe taken kunnen oplossen,
  • zich flexibel kunnen aanpassen in nieuwe situaties
  • zelfstandig kunnen leren, zonder directe en volledig instructie nodig te hebben.

Als ik nu heel intelligent ‘shop’ in bovenstaande definities en omschrijvingen, dan krijgen we de volgende definitie van intelligentie.

Intelligentie is de potentie om mogelijkheden te ‘zien’

Intelligentie kan uiteenlopende vormen hebben, zoals het zien van verbanden en patronen, verschillen en overeenkomsten, het kunnen ontwikkelen van nieuwe theorieën, composities en ontwerpen, afwegingen in kwesties kunnen maken en tot oplossingen kunnen komen. Menselijke intelligentie is aangeboren en kunstmatige intelligentie is ingebakken in de hard- en software van het systeem.

Een intelligente vraag is of ware intelligentie per definitie zelflerend is. Daarin zijn mensen erg goed en systemen niet. Ja, zijn slimme mensen altijd in staat om hun eigen weg te zoeken? Vraag dat maar eens aan de studievoorlichters van de universiteiten. Ja, maar dat is niet eerlijk, je moet er een gerichte vraag van maken. OK, de schaakcomputer Deep Blue heeft wereldkampioen Kasparov verslagen en later versloeg IBM’s supercomputer Watson (genoemd naar IBM’s voormalige president-directeur en niet naar Sherlock Holme’s kompaan) in de quiz Double Jeopardy de kampioenen van dat moment. Dat is heel indrukwekkend, maar toch komen ze niet verder dan wat je erin hebt gestopt. Maar dat weten ze wel op oneindig veel nieuwe manieren te combineren. Geldt dat niet ook voor mensen? Ja maar, een echte slimmerik kan ‘out of the box’ denken en dat kan een computer per definitie niet, want hij is zelf een ‘box’, een box van algoritmes. Maar hoe weet je of het een kwestie is van in of uit een doos, en niet een kwestie van dozen in steeds grotere dozen? Goed, wat ik wil zeggen is dat ‘zelflerend vermogen’ relatief is.

Intelligentie is niet beperkt tot een bepaald gebied. Er is onder meer sprake van intelligentie bij een wetenschapper die vraagstukken weet op te lossen, een voetballer die heel slim tegenspelers weet uit te spelen, een (componerend) musicus die nieuwe partijen hoort waar een ander in herhaling vervalt, een choreograaf die steeds weer nieuwe bewegingen ‘ziet’, een politicus die onderhandelingen weet vlot te trekken, een systeem wat verbanden weet te leggen in enorme berg gegevens en de automatische piloot van een vliegtuig of zelfsturende auto die adequaat kan reageren op uiteenlopende situaties.

Associatief denken, intelligente organisaties en serendipiteit

Wat vergt meer intelligentie, associatief denken of analytisch denken? Hoe diepzinnig en creatief analytisch denken ook kan zijn, het blijft gebonden aan een vrijstelling. Associatief denken betekent loslaten wat je had en in het onbekende springen. Een bestaande hypothese kun je analyseren om te weten wat hij waard is, maar als bestaande hypotheses niet voldoen, zul je buiten de bestaand paden moeten gaan. Analytisch denken en associatief denken vergen een hele andere instelling en misschien ook wel andere mensen. Ik vraag me wel eens af of scholen en ook universiteiten niet meer afgestemd zijn op analytisch denken. Er wordt gezegd dat grote denkers als Darwin vaak helemaal niet zo goed op school waren.

Menselijke intelligentie en kunstmatige intelligentie zijn ‘aangeboren’, maar hoe zit het met organisaties? Kun je een organisatie intelligenter maken door slimmere werknemers aan te nemen, of zit die potentie om mogelijkheden te zien ook hier ingebakken in de aard van het beestje? Iedereen die wel eens na heeft moeten denken over reorganisaties weet dat die ‘aard van het beestje’, oftewel de bedrijfscultuur, nogal hardnekkig is, maar het is niet zo hard vastgelegd als bij mensen en machines. Overigens heeft succes met heel wat meer dan alleen intelligentie te maken.

Is het niet zo dat serendipiteit – een toevallige en onbedoelde vondst – per definitie niet intelligent is. Zeg nu zelf, hoe kan een onbedoelde, toevallig leuk-uitpakkende vondst nu het resultaat zijn van intelligent handelen? Nu ik erover nadenk, is associatief denken niet altijd een soort serendipisch denken (of bestaat dan woord niet)? Het heeft iets ongrijpbaars, iets van het bevel om spontaan te zijn, of de opdracht om geluk af te dwingen (zoals bij voetbal). Wacht, ik heb het: de onbedoelde ingeving zelf is niet intelligent, maar wel om te zien hoe briljant de ingeving is als je hem eenmaal hebt. Of niet?

Voegde deze blog eigenlijk iets toe? Of hangt dat af van jou intelligentie?

Emoties, waar zijn ze eigenlijk goed voor?

‘Emotioneel worden’ wordt gezien als een teken van zwakte, als iets negatiefs. Behalve op tv natuurlijk. Wat valt er eigenlijk voor goeds te zeggen over emoties? Ja, als je ze te veel oppot dan gaat het ook niet goed. Emoties zijn kennelijk een noodzakelijk kwaad, een fossiel uit voorbije tijden die nu niet alleen overbodig zijn, maar bovendien vaak een hoop schade aanrichten. Ze laten discussies ontsporen, zetten je aan tot vreselijk gedrag en doen je beslissingen nemen waarover je later je de haren uit het hoofd kunt trekken. Of valt er toch iets goeds over te zeggen?

Van oorsprong is een emotie iets wat je in staat stelt om je hele wezen te mobiliseren voor een snelle en krachtige reactie. We hebben het dan over voortplantingsdrift, angst, seksuele jaloezie, vreugde en geluk, verdriet, woede, verbazing of nieuwsgierigheid en walging of afkeer. Emotie gaat over gedrag, daar komt het woord ook vandaan: ‘e(x)movere’, Latijns voor ‘in beweging zetten’, of ‘doen handelen’. Uiteraard zit er ook een gevoelskant aan emoties, ze brengen je in een bepaalde stemming, maar een emotie is een gedragssysteem. Hoe ‘beschaafd’ de meeste culturen inmiddels ook zijn geworden, toch is een primaire en heftige reactie nog vaak erg zinvol, niet alleen in sport en oorlog. Zelfs als je een stropdas of mantelpakje draagt op je werk, krijg je meer voor elkaar met wat woede of verontwaardiging, enigszins gedoceerd, dat wel. Het komt bij de beste managers voor. Het wordt soms zelfs uitgelegd als een teken van oprechtheid.

Om een emotionele reactie echter op waarde te kunnen schatten moet je naar de hele keten kijken, van waarneming tot de reactie, en niet alleen naar de reactie. En zeker niet alleen naar die incidenten waarbij iemand door het lint gaat. Als je het moet hebben van je bewustzijn en je redelijkheid, dan ben je gedoemd om achter de feiten aan te lopen en, erger nog, om veel dingen hoe dan ook niet op te merken. Emoties brengen niet alleen focus en de juiste ‘toon’ in je gedrag, maar ook in je waarneming. Zintuiglijke waarneming is ook weer een hele keten, die begint bij de signalering in je zintuigen en vervolgens eindigt met de verwerking in je hersens. Je emotionele systeem zorgt dat bij de verwerking de juiste signalen worden opgepikt en vervolgens wordt omgezet in een gepaste reactie. Het doet twee dingen: het zorgt dat je in staat bent om snel en krachtig te reageren en het helpt in belangrijke mate om een sociaal wezen van je te maken. En voor een sociaal wezen heb je twee dingen nodig: een sociaal zintuig of sociale intelligentie, en het vermogen om je vervolgens ook sociaal te gedragen. Maar je moet er wel mee leren omgaan. En dat begint bij het goed kunnen ‘luisteren’ naar wat je emoties je te vertellen hebben. Het is de kunst om je eigen emotionele reactie te leren beheersen, zonder echter je vermogen om te ’luisteren’ naar je emoties aan te tasten. Overigens kan iemand zijn emoties vaak beter beheersen als hij beter naar ze leert luisteren. Misschien moeten we ‘emotioneel worden’ zien als een uitwas en niet als de aard van ons emotionele systeem.

Wat is jouw verhaal?

Er zijn mensen die denken dat de wereld plat is en graag uitdrukkingen gebruiken als ‘Als het eruit ziet als een eend, loopt als een eend en kwekt als een eend, dan noem ik het een eend’. Het zijn de mensen die praten over De Waarheid, bijvoorbeeld De Waarheid over De Islam. Praten over De Waarheid is een bezwering – soms smekend, maar vaak ook erg agressief – om de wereld weer plat te slaan tot de vertrouwde werkelijkheid volgens hun evangelie.

Er zijn ook mensen voor wie hun werkelijkheid verschijnt als een drie-dimensionale wereld in een eindeloos heelal van vele werkelijkheden. Hun geestkracht is groter dan de zwaartekracht van hun denkbeelden, waardoor ze kunnen voorkomen dat al die werkelijkheden imploderen tot De Waarheid.

Zonder verhaal is er geen leven mogelijk, het is jouw dampkring rond een planeet. Twee- of drie-dimensionaal, oprecht of doortrapt, in jouw verhaal krijgt alles vorm en betekenis. Jouw verhaal zit in jouw onbewuste, jouw denken, jouw waarneming, jouw karakter, en het is voortgekomen uit de evolutie, jouw genen en jouw ervaringen. En het is voortgekomen uit de archetypische verhalen die je deelt met iedereen in jouw cultuur en de verhalen die anderen jou hebben verteld in de vorm van gesprekken, preken, lesmateriaal, boeken, films, toneelstukken, enz. en die meer of minder onder jouw huid zijn gekropen. Jouw verhaal is een bibliotheek van eindeloos veel grote en kleine ‘boeken’, met ieder hun eigen verhaal, dat ‘verzonnen’ of ‘feitelijk’ is, bewust of onbewust, rationeel of irrationeel, met een meer of minder uitgesproken moraal.

De uitdrukking ’geen woorden maar daden’ moet worden opgevat als het verschil tussen daadkrachtige woorden en slap geouwehoer, niet dat woorden er niet toe doen. Woorden zijn eindeloos veel krachtiger dan daden omdat al je daden worden geleid door de bewuste of onbewuste ‘woorden’ waarmee je het verhaal opbouwt waarbinnen die daden tot stand komen, of dat nu het in bed blijven liggen is omdat je ziek bent, de aanschaf van een onverantwoord dure auto, of het ten oorlog trekken met je leger. Ook voordat het motto werd gebezigd van ‘je koopt geen product maar een ervaring’, leefden we bij de gratie van onze verhalen. Dieren hadden onder andere hun baltsgedrag om hun verhaal te vertellen, personen werken aan hun sociale vaardigheden, en bedrijven, instellingen en politieke partijen zetten pr-afdelingen, lobbyisten en spindocters in en veiligheidsdiensten proberen ieders verhaal ondermijnen. Er kan geen wereldlijke of geestelijke macht bestaan zonder ‘verhaal’ dat zijn bestaan onderbouwt.

Als je wilt begrijpen waarom iemand doet wat hij doet, dan moet je luisteren naar zijn verhaal. Niet om smoesjes te horen, maar om te begrijpen hoe hij de werkelijkheid construeert waarin die daden als een logisch en noodzakelijk onderdeel verschijnen. Je hoeft het er natuurlijk niet mee eens te zijn. En als je een draaideur-crimineel tot ander gedrag wil krijgen, dan moet je eerst proberen het verhaal te begrijpen waarop zijn huidige gedrag is gebaseerd en hem vervolgens helpen een ander verhaal te ontwikkelen.

Jouw verhaal heeft met andere woorden twee kanten: het is de werkelijkheid volgens jou, maar het is ook de werkelijkheid die ontstaat en blijft bestaan doordat jij hem op deze manier vertelt en blijft vertellen. ‘Herinneringen ophalen’ suggereert bijvoorbeeld dat je opzichzelfstaande pakketjes uit je ‘archief’ bovenhaalt, maar zo werkt dat niet. Die gebeurtenissen worden bij het opslaan in je geheugen tot het laatste schroefje uit elkaar gehaald en moet je bij iedere herinnering weer in elkaar schroeven. Tijdens de vele keren dat je zo’n herinnering bovenhaalt, slijten die schroefgaatjes steeds meer uit en raak je steeds meer delen van de gebruiksaanwijzing kwijt. Het is ‘natuurlijk’ dat verhalen in de loop der tijd wegsterven, dat wil zeggen, zo werkt de menselijke geest. Er zijn echter veel verhalen waarvan het essentieel is dat ze levend gehouden worden, denk aan de herdenking van de Tweede Wereldoorlog.
Iedere persoon en cultuur bestaat bij de gratie van zijn ‘verhalen’, zijn mythen en legenden.

Aldus de werkelijkheid volgens Hans Verster. En wat is jouw verhaal?

Multimediaal schrijven

Op 30 augustus 2013 hield Kevin Spacey een speech voor Netflix bij de aftrap van de tv-serie House of Cards, waarin hij betoogde dat alle traditionele hokjes waarin films en tv-series werden onderverdeeld, irrelevant waren geworden: “For kids growing up now, there’s no difference watching Avatar on an iPad or watching YouTube on TV or watching Game of Thrones on their computer. It’s all content. It’s just story.” Dat spreekt mij erg aan. Nu heb ik bij het schrijven van mijn verhalen altijd al uiteenlopende media als een boek, een film of tv-serie in mijn achterhoofd, maar rond afgelopen jaarwisseling vatte ik het plan op om mij daadwerkelijk te verdiepen in scenarioschrijven. Vandaar dat het even stil is gebleven in deze blog.

Het begon ermee dat iemand een verhaal voor een korte film nodig had en ik riep dat ik wel iets kon schrijven. Tja, en vervolgens heb ik een handvol boeken over scenarioschrijven bestudeerd, heb de mogelijkheden voor een vakopleiding verkend en heb mij het specifieke format waarin een scenario aangeleverd dient te worden, eigen gemaakt. En ja, ik heb voor dat korte verhaal volgens de regels der kunst eerst een synopsis aangeleverd, vervolgens een treatment (zeg maar het volledige geraamte van het verhaal met alle elementen en in de structuur waarin het verteld wordt) en uiteindelijk het scenario. Of het daadwerkelijk wordt verfilmd, heb ik niet in de hand, maar als er iets te zien valt, dan zal ik dat hier presenteren.

De aanpak zoals die voorgesteld werd bij scenarioschrijven, sloot goed aan bij mijn eigen aanpak, zodat ik ze heb samengevoegd. Het resultaat is een werkwijze waarbij ik van alle verhalen eerst een treatment uitwerk en dit gebruik als basis voor zowel een scenario als een boek. Deze werkwijze zal tot tamelijk filmische verhalen leiden, maar dat spreekt me op dit moment erg aan. Het werkt ook goed bij complexe verhalen met veel personages en plotlijnen, zoals mijn verhalenserie De Grote Migratie. Bij deze serie heb ik vanaf het begin in mijn achterhoofd gehad dat het behalve een serie boeken ook een tv-serie moet worden. ‘In my dreams’, ik weet het.

Als je een verhaal uitwerkt voor twee zulke verschillende media als boek en film, dan is het een kleinere stap om nog verder te variëren in korte of lange boeken, een feuilleton, stripboek, een hoorspel, een webgame, een tien minuten film, 50 minuten film, lange film, een toneelstuk, een tv-serie met één of meerdere seizoenen, enz. De afgelopen maanden ben ik al druk bezig geweest om verhalen te schetsen met dit in mijn achterhoofd. Ja, die speech van Kevin Spacey sprak me wel aan. Verhalen dus in plaats van boeken. Met uiteraard een (e-)boek als optie.

Terug in de harde werkelijkheid ben ik benieuwd of er ook multimediale agenten en uitgevers zijn. Natuurlijk worden er boeken verfilmd en wordt er wel eens een boek geschreven gebaseerd op een film, maar dat is toch iets anders dan echt multimediaal werken. Het lijkt mij heel aantrekkelijk om samen te werken met iemand die mijn verhalen op creatieve en ondernemende wijze weet te koppelen aan een producent in één van de media.

Kennen jouw vrienden jou wel echt?

Denk je dat jouw vrienden jou wel echt kennen? En je collega’s en anderen om je heen? Dat ze zien wat voor persoon je bent. Het hangt er natuurlijk vanaf over welke kanten van je persoon het gaat, want je wilt natuurlijk niet al je kanten aan iedereen laten zien. In ieder gezelschap en in iedere situatie komen er weer andere kanten boven. Soms zoek je zelfs bepaald gezelschap of een speciale situatie op om een bepaalde kant van jezelf boven te halen onder het motto “Ik hou van jou, omdat ik hou van de kant van mezelf die bij jou bovenkomt”. Je kunt dit beeld van jezelf heel bewust proberen te sturen, of je kunt het zijn eigen loop laten hebben. Ik ben vooral iemand van deze laatste soort, omdat ik anders moet onthouden wat ik bij wie wil zijn.

Als anderen zeggen dat ze verrast zijn door bepaalde kanten van jou, dan kan het zijn dat jij gesloten bent, of dat de ander niet goed heeft gekeken. Of beide. Je hebt ook mensen van wie ze zeggen dat ze in ieder gezelschap en in iedere situatie ‘dezelfde persoon’ zijn. Zou jij dat een compliment vinden? Ik niet. Het klinkt alsof je niet zo veel kanten hebt, of dat je er prat op gaat niet open te staan voor je gezelschap.

Podium-persoonlijkheid en autisme

Stel dat je met tien anderen in een vergadering zit. Ben jij dan zo iemand die wat je te zeggen hebt vooral zegt tegen degene naast je, of zeg je het tegen het hele gezelschap? En als het twintig anderen zijn? Honderd anderen? Duizend? Een stadion vol? Dit gaat over ego, persoonlijkheid, publieke persoonlijkheid, podium-persoonlijkheid. Het is een vaardigheid die je moet ontwikkelen, maar ook een talent dat je wel of niet hebt. Zie het als verschillende talen met al hun eigen woorden en lichaamstaal. ‘Versta je en spreek je’ de taal van een gesprek onder vier ogen? Of ben je vooral thuis in de taal van een twintig-koppig gezelschap? Of van een heel stadion? “Wat ben je stil” werd er vaak tegen een kennis van mij gezegd, als zijn gezelschap weer eens een avond lang als een op hol geslagen kudde over hem heen was gedaverd. Het was niet zijn stemvolume die te zwak was, maar de taal van dit gezelschap die hij niet sprak. Of de actrice die een samenzijn met minder dan vijftig man zag als een intiem gesprek waar ze verlegen van werd. Ik denk niet dat het tussen ons wat geworden zou zijn. Je taal en je persoonlijkheid zijn veel meer dan de verpakking van wie je bent, maar het is ook verkeerd te denken dat wat iemand weet uit te brengen in een bepaald gezelschap of situatie hetzelfde is als wat er in hem zit. Je moet maar net de taal spreken. De één is een echt talenwonder in dit opzicht, een ander heeft een gemiddelde talenknobbel en bijvoorbeeld autisten hebben een heel klein talenknobbeltje. Maar dat wil niet zeggen dat er weinig in zit. Lees ‘Het autistische brein’ van Temple Grandin maar.

Een trailer van Finding Desiderius!

Trots kan ik hier de trailer presenteren die op 30 oktober jl. in première ging ter promotie van de tv-serie ‘Finding Desiderius’, het eerste seizoen van ‘De Grote Migratie’. Nu zoek ik nog iemand die de tv-serie gaat maken.

‘Finding Desiderius’ op Youtube

De trailer is gemaakt als voorproefje van de (mogelijke) verfilming van mijn eerste verhaal in genoemde serie. Mijn (inmiddels oud-) collega’s hebben de trailer gemaakt voor mijn afscheid van de Erasmus Universiteit. Ze vonden (terecht) dat de promotie van mijn publicaties te wensen overliet.

‘Collega, mijn liefste’

Het leek me ook een goede gelegenheid om een song die ik al eerder had geschreven eens met enige zorg op te nemen in mijn kleine home-studio en op de afscheidsreceptie te laten meezingen door mijn oud-collega’s. Met dank aan mijn zoon Stefan Verster voor slagwerk, keyboard, achtergrondzang en het mixen:

‘Real Avatars’

Tot slot wil ik je nog even wijzen op het eerste hoofdstuk van mijn nieuwe verhaal in de ‘De Grote Migratie’-serie, ‘Real Avatars’, dat vorige week beschikbaar is gekomen als EBook.

De Grote Migratie, Real Avatars, aflevering 1. De terugkeer