Alias Lisa is verkrijgbaar!

Mijn tweede roman Alias Lisa is gepubliceerd! Ik heb er lang en hard aan gewerkt en ben trots op het resultaat. Ik heb mijn boek uitgegeven via Brave New Books en daar is het onder andere ook te koop. Ik zou het zeer op prijs stellen als je dit bericht aan vrienden wilt doorgeven.

Hans Verster
Alias Lisa
Een jonge psycholoog doet onderzoek naar de aansturing van telerobots met hersensturing, maar zijn proefpersonen krijgen identiteitsproblemen. Dan verschijnt de actrice Lisa, die moeiteloos iedere identiteit en gedaante kan aannemen. Wie is zij zelf?
€19,95 Paperback
Hans Verster
Alias Lisa
€7,95 E-book

We zijn allemaal dubbelganger van onszelf


Bekende personen en personages hebben het, zoals Marilyn Monroe, Dorian Gray, Narcissus, Dr Jekyll en zijn alter ego Mr Hide, en Lisa Pallenberg uit mijn eigen roman Alias Lisa. Maar jij en ik hebben het ook, een dubbelganger, een andere kant van jezelf, een imago, of zelfs een compleet alter ego. Waar komt dit vandaan?

‘Jezelf zijn’ als je geestelijke ruststand

Doordat je je bewust bent van bijvoorbeeld iets wat je zegt, verdubbelt deze handeling als het ware. Je zegt het, maar je ziet het jezelf ook doen. Dit is niet iets dat je zomaar aan of uit kunt zetten, je bent nu eenmaal een bewust wezen en dat ben je permanent. Je valt nooit met jezelf samen, steeds ijlt er een soort echo na. De enige momenten waarop je wel samenvalt met jezelf is als je gedachteloos in iets opgaat. Dan ben je ‘jezelf’. Dit kun je omschrijven als ‘je geestelijke ruststand’. Omdat mensen wel eens moe van zichzelf worden, is er een truc bedacht die in allerlei vormen van meditatie gebruikt. Je kunt niet doelbewust aan niets denken, maar je kunt je wel op iets concentreren. Als je dit punt, deze gedachte, heel klein maakt, benader je dat punt van ‘aan niets denken’.

Je bewustzijn is iets dat in principe volgt op alles wat je bezighoudt, maar dat wil niet zeggen dat dat ook altijd feitelijk gebeurt. De capaciteit van je bewustzijn is daarvoor botweg veel te beperkt en het zou je in veel situaties ook veel te traag maken. Inlevingsvermogen en reflectie zijn de sterke kanten van je bewustzijn, maar niet snel en accuraat handelen. Je bewustzijn is niet het commandocentrum dat je leven aanstuurt. Ik stel me ons bewustzijn voor als een mijnwerkerslamp op je hoofd. Een lamp die zo is bevestigd dat hij met een zekere vertraging meebeweegt met je hoofd en ook nog wel eens spontaan een andere kant op schijnt (als je gedachten afdwalen). Je kunt met andere woorden niet zeggen dat die lamp je altijd even goed en tijdig bijlicht. Bovendien heeft zo’n lamp maar een hele smalle lichtbundel. Ik hou het er maar op dat ons hele handelen voor negentig procent wordt bepaald door onze algemene, onbewuste intelligente vermogens en dat we ons maar van tien procent van wat we doen bewust worden. Achteraf. Inderdaad, ons leven is als een ijsberg, alleen het topje steekt boven water.

Zelfbewustzijn

In je bewustzijn zie je ook jezelf verschijnen. Dit is je zelfbewustzijn. Zoals eerder gezegd is je bewustzijn het vermogen om de dingen vanuit meerdere gezichtspunten te bekijken (zie Het theater van je bewustzijn). Dit zijn de gezichtspunten van andere personen, specifieke anderen en anonieme, algemene anderen. Al deze personen kijken voortdurend over je schouder mee naar alles wat je doet en leveren commentaar. Zelfbewustzijn is het voortdurende besef hoe je over komt op anderen. Hier ga je je natuurlijk naar gedragen. In Een mens en zijn persona’s beschreef ik al dat mensen in verschillende omgevingen verschillende kanten van zichzelf laten zien. Je speelt met andere woorden verschillende rollen, je neemt verschillende persona’s aan. In de sociale wetenschappen wordt dit ook wel de ‘definitie van de situatie’ genoemd, de rollen en spelregels zoals die voor iedereen zijn vastgelegd. Een politieagent die naar een groepje jongeren toeloopt die hem uitdagen, zal strijd moeten leveren om de situatie zo te definiëren dat híj degene is met gezag. Hij kan dit proberen te doen met lichaamstaal, gezag uitstralen, maar één moment van aarzeling en hij is weg. Om een bepaalde definitie van een situatie te ondersteunen worden er vaak hulpmiddelen bij gebruikt, zoals het uniform van een politieagent, de rituelen bij een zitting van een rechtbank en de aparte locatie bij een therapeutisch gesprek.

De rollen die je vervult bij de uitoefening van je beroep zijn tamelijk formeel en staan op enige afstand van jezelf. Het schakelen naar die rollen is daarom meestal niet erg ingrijpend. Dat ligt anders bij bijvoorbeeld het uit de kast komen van een homoseksueel of transgender. Dat is een grote omschakeling die risico’s met zich meebrengen en waar lang aan gewerkt moet worden voordat die zijn beslag heeft gekregen. Ook kun je vastlopen in het leven dat je leidt en de persoon die je daarin bent. Een rol geeft rust en kracht, ook zo’n ‘persoonlijke’ rol, maar het moet niet te star worden, want dan gaat het knellen. Zeker voor persoonlijke rollen geldt dat ze mee moeten meegroeien met jezelf. Je ‘zelf’, als je geestelijke ruststand, kun je daarbij zien als de bron van je persoon.

Marilyn Monroe en het beest

Ieder mens speelt rollen, maar de grote vraag is of je dit op een gezonde manier doet of niet. Het gaat erom of je je persoonlijke integriteit weet te bewaren. Zodra je delen van jezelf prijsgeeft door ze te ontkennen of op de één of andere manier te verdringen, gaat het mis. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het Faust-verhaal, waarin iemand zijn ziel aan de duivel verkoopt. Zo zou Robert Johnson, de beroemde bluesgitarist, bij volle maan op een verlaten kruising zijn ziel aan de duivel verkocht hebben in ruil voor virtuoos gitaarspel. Er is niets tegen virtuoos gitaarspel, maar de ziel van een musicus zit in zijn muzikaliteit en dat betekent dat je niet steeds twintigduizend noten per minuut moet spelen, ook al heb je daar veel succes mee bij sommige fans. Een musicus die alleen nog spetterende gitaarsolo’s speelt, ruilt zijn muzikaliteit in voor succes. Daarmee wordt zijn kunst een kunstje. 

En zo had Marilyn Monroe succes met haar rol als verleidelijke vrouw. En liet zich verleiden die rol voortdurend te spelen. Sterk zijn de benen die de weelde van een succesvol imago kunnen dragen. Marilyn had mooie benen maar sterk waren ze niet. Je zou overigens ook van bijzonder goede huize moeten komen om opgewassen te zijn tegen de agressiviteit waarmee het publiek haar kunstje opeiste. Het was een ongelijke strijd, zwaar beschadigd door een jeugd als ondergeschoven kind, maakte ze geen schijn van kans en werd een willoos idool in handen van een monsterachtig publiek dat haar kwijlend van begeerte met zijn ogen verslond.

Marilyns derde echtgenoot Arthur Miller had degene moeten zijn die in haar gezelschap mens wist te blijven en haar daarmee de ruimte liet om ook zelf weer mens te zijn. Zijn liefde voor haar als mens zou opgewassen moeten zijn tegen zijn begeerte. Het begon zo mooi, als een liefhebbende echtgenoot die één en al oog was voor haar als mens. Maar toen op een kwade dag staken de schubben van zijn ware aard door zijn huid heen en ontpopt hij zich toch als een kwijlend beest als al die anderen. Die rare plekjes op zijn huid waren haar aanvankelijk nog niet opgevallen, maar toen versprak hij zich en noemde haar niet meer ’Norma Jean’ maar ‘Marilyn’.

De faustiaanse verleiding heeft de gedaante van Marilyn Monroe aangenomen

Faust deed het voor briljante wetenschappelijke inzichten en Robert Johnson voor virtuoos gitaarspel. In de tragedie van Marilyn Monroe heeft de verleiding de gedaante van een mens aangenomen, zijzelf. Als ongewenst kind was de verleiding bijzonder groot om het spelletje mee te spelen toen al op jonge leeftijd bleek dat ze als vrouw zeer gewenst was. Ook als actrice heeft ze er aanvankelijk zelf hard aan meegewerkt haar aantrekkingskracht uit te buiten. Tegenover de vloedgolf aan begeerte die vervolgens ontstond was ze echter kansloos. Haar probleem was ook dat iedereen bij wie ze hoopte zichzelf te kunnen zijn zelf ook in verleiding werd gebracht door haar aantrekkingskracht. 

Dorian Gray, een minder onschuldige verleider

In Het Portret van Dorian Gray, het beroemde verhaal van Oscar Wilde, is de mooie Dorian allerminst een slachtoffer van zijn aantrekkelijkheid. De (in het verhaal) bekende schilder Basil Hallward ontmoet Dorian en is diep onder de indruk van diens schoonheid. Hij voelt zich als kunstenaar ontketend door de aanblik van Dorian, maar is tegelijkertijd bang voor diens aantrekkingskracht. Hij weet dat deze muze hem zal verzwelgen. Basil wil er vandoor gaan, maar komt Dorian natuurlijk toch weer tegen. Het resultaat is een portret van verterende schoonheid, dat losgezongen van de werkelijkheid een eigen leven gaat leiden. Basil is er zo door van slag dat hij het niet tentoon wil stellen en geeft het aan Dorian. Basils vriend Lord Henry neemt de rol van Mephisto op zich en verleidt Dorian, toch al een narcistisch type, volop gebruik te maken van zijn jeugdige schoonheid, ‘want die is zomaar voorbij’. Aangestoken door Lord Henri verzucht Dorian dat ‘hij zou zijn ziel zou geven om voor eeuwig te mogen blijven als op zijn portret.’ Deze wens blijkt al gauw verhoord te zijn. Na één van zijn eerste escapades, waarbij hij een jongedame harteloos aan de kant zet en zij zelfmoord pleegt, valt hem het verschil op tussen zijn beeltenis op het portret en in een spiegel ernaast. De spiegel toont nog steeds de ontwapenend mooie jongeling, maar op het portret zijn wrede, harde trekken rond zijn mond ontstaan. Al gauw blijkt dat het portret niet alleen de uiterlijke lasten van een liederlijk leven van zijn schouders neemt, maar ook de innerlijke. Als een gewetenloze, giftige, engelachtige verschijning gaat hij verder door het leven en het doet hem weinig dat hij een spoor achterlaat van eens veelbelovende jongelingen die hij in het verderf heeft gestort. Het portret is ondertussen letterlijk een spiegel van zijn daden. Als Dorian Basil, die naar zijn smaak te veel druk uitoefent zijn levensstijl te veranderen, doodsteekt, verschijnt er op het portret bloed aan zijn handen. Na een liederlijk leven oogt hij nog steeds als een onschuldige engel. Hij bedenkt dat het portret eigenlijk het enige bewijs van al zijn wandaden is. Met hetzelfde mes waarmee hij Basil heeft doodgestoken wil hij het portret vernietigen. Dorians bediendes horen een door merg en been gaande kreet en gaan kijken. Ze treffen het lichaam aan van een verschrompelde, oude man met een mes in zijn hart, die ligt voor het portret van een beeldschone Dorian Gray in zijn jonge jaren. Alleen aan een ring aan de vinger van de oude man kunnen ze vaststellen wie hij is.

De Mannetjesmaker

Een apart aspect van een imago is dat er soms sprake is van een mannetjesmaker, iemand die in staat is een ander een succesvol imago te geven. In de op ware gebeurtenissen gebaseerde Nederlandse speelfilm De Mannetjesmaker (1983) draait het om de spindoctor Ben Mertens. Deze wist met zijn tactische inzichten en de speeches die hij schreef, de weinig succesvolle politicus Herbert van de Wall tot grote hoogte op te stuwen. Als Mertens overspannen wordt en niet meer kan werken zakt de positie van Van de Wall weer snel in. Door Mertens morfine voor te laten schrijven en zodoende weer aan het werk te krijgen, weet Van de Wall met hulp van Mertens weer terug te keren. Tot Mertens met een zware morfine-verslaving in een afkick-kliniek belandt. Daar overlijdt hij onder onopgehelderde omstandigheden aan een overdosis en komt er een definitief einde aan de politieke carrière van Van de Wall.

In Het Portret van Dorian Gray is de schilder Basil Hallward de mannetjesmaker. Hoewel Dorian Gray Hallward niet nodig had voor zijn imago van onweerstaanbare jongeling was het de schilder die met zijn portret Dorian een imago gaf dat op eigen kracht bleef bestaan. Met alle gevolgen van dien natuurlijk. In onze huidige cultuur zijn de fotografen en filmmakers de mannetjesmakers van onze tijd. Zij weten mensen zo te ‘belichten’ dat zij een persoon worden die boven zichzelf uitstijgt. Zij spelen een belangrijke rol in het maken van film- en muziekidolen. In Alias Lisa is de portretfotograaf Taco Noorda een echte mannetjesmaker, hij kan met een portret bereiken wat Grenouille (Het Parfum) kan met parfum: hij kan iemand onweerstaanbaar aantrekkelijk maken. Noorda haalt met een portret kanten in iemand boven die hem de X-factor geven en een nieuwe persoon van hem maken. Zo’n portret blijkt echter ook steeds meer iemands leven te gaan beheersen. Zoals ik al eerder zei, sterk zijn de benen die de weelde van een succesvol imago kunnen dragen.

Het theater van je bewustzijn

Op het gebied van psychologie is bewustzijn waarschijnlijk het begrip dat de meeste misverstanden oproept. Het is onder meer een psychische functie, zoals intelligentie, maar ook een geestelijke toestand – je bent ‘bij bewustzijn’ of bijvoorbeeld ‘in coma’ – en dan is er ook nog zoiets als ‘het onbewuste’. Verder wordt bewustzijn óf voorgesteld als het summum van de menselijke geest – in ben bewust, dus ik ben – óf zo uitgekleed dat het lijkt op een overbodige directie van een intelligente organisatie. Je zou voor een uitleg van bewustzijn echter ook kunnen terugkeren naar de betekenis van het woord, het vermogen je bewust te worden van de dingen. 

Nadoen (mimicry) en inlevingsvermogen

Doelgerichte en complexe gedragspatronen zijn al te zien bij dieren die veel lager op de evolutie-ladder staan dan de mens. Of je het nu hebt over een mierenkolonie, met hele verfijnde interactie-patronen of een groep orka’s die door slimme samenwerking een paar zeehonden weten in te sluiten, het gaat ontegenzeglijk om intelligent gedrag. Toch wil dit niet zeggen dat deze dieren zich ook bewust zijn van wat ze doen. Het is mogelijk dat er bij orka’s sprake is van een begin van bewustzijn, maar bij mieren is dat toch de vraag. ‘Je bewust van iets zijn’, ‘iets beseffen’, ‘je iets realiseren’, ‘je iets afvragen’ zijn uitdrukkingen die erop neerkomen dat je in staat bent dingen anders te zien. Doordat je op een andere manier dan gebruikelijk tegen iets aankijkt, ziet je het verschil en worden er vragen opgeroepen. Maar om ‘anders tegen iets aan te kunnen kijken’ moet je wel een ander gezichtspunt innemen. Je moet als het ware buiten jezelf gaan staan. Maar hoe doe je dat en waar komt dit talent vandaan?

Je kunt stellen dat om te overleven ‘in de strijd om het bestaan’ je greep moet zien te krijgen op je omringende wereld. Je moet de buitenwereld leren kennen, je moet begrijpen hoe dingen werken. Een zuigeling grijpt alles wat hij te pakken kan krijgen, betast het en als het even kan steekt hij het in zijn mond. Als je iets wilt leren kennen moet je het tenslotte proeven, voelen en zelf ondervinden. Je moet het met andere woorden waarnemen. Nu heeft een eeuw van hersenonderzoek inmiddels duidelijk gemaakt dat zintuiglijke waarneming meer is dan ‘een signaal met je zintuigen oppikken’. Je reageert op dingen waarvan je je niet bewust was dat je ze had waargenomen en dingen die voor je neus staan zie je soms niet. Ook zijn onze hersenen op een vergelijkbare manier actief bij iets dat we waarnemen en iets dat we zelf doen (zie mijn blog Het rubberen hand-experiment). Als je kijkt naar bijvoorbeeld een tenniswedstrijd, kun je zelf bijna niet stil blijven zitten. Of als je swingende muziek hoort. Hoe meer je vertrouwd bent met de handelingen, hoe sterker dit effect is. Waarnemen en zelf doen zijn met andere woorden geen gescheiden activiteiten. Waarnemen moet je opvatten als ‘vertegenwoordigen’, wat het natuurlijk ook betekent. Je kunt het zo zien dat in een waarneming een stukje van de buitenwereld wordt vertegenwoordigd. Waarnemen is het nabouwen van de buitenwereld in je hoofd. En niet alleen nabouwen, maar in die nagebouwde wereld naspelen wat je in de buitenwereld waarneemt. Denk aan die tennisser en musicus. 

Een groot deel van wat je ziet en hoe je daarop reageert is vastgelegd in patronen die samen je automatische piloot vormen. Hierdoor kun je veel sneller en efficiënter reageren. En heb je soms een blinde vlek voor iets. Er is ook een apart mechanisme om automatisch een bepaalde handeling te verrichten als je iets ziet en een ander mechanisme om actief in te grijpen als je dit beter niet kunt doen. Er is een psychiatrisch geval bekend waarbij een patiënt een hersenbeschadiging had die dat remmechanisme onklaar had gemaakt. De patiënt zette iedere bril op die hij zag, ook al had hij er al drie op, en dronk uit een glas water dat voor zijn neus stond ook al was dat van een ander (Victor Lamme beschrijft dit in Vrije wil bestaat niet). Zelf overkomt het mij wel eens dat ik bij het verlaten van de badkamer het licht aandoe. Ik denk nog ‘niet doen, want ik heb het bij het binnengaan niet aangedaan’ en toch doe ik het. Misschien zit er bij mij ook een draadje los. Sommige patronen heb je door eigen ervaring ontwikkeld, andere patronen zijn aangeboren, zoals je reactie op slangen en insecten. 

Waarnemen en nadoen zijn zoals we hebben gezien twee sterk verwante activiteiten waarmee je greep op de wereld probeert te krijgen en te houden. Bij al dat nadoen in je hoofd of in de buitenwereld ben je ook permanent bezig je automatische piloot te trainen. Zuigelingen beginnen daar al direct na de geboorte mee. Al na een maand beginnen zij gezichtsuitdrukkingen van hun ouders na te doen. 

Nadoen heeft veel kanten. De eerste kant is al genoemd, het aftasten van de omgeving. Een andere kant is de kant van de emoties die het in je oproept. Dat aftasten kan een plezierig gevoel of pijn opleveren. Ook krijg je honger en natte, koude billen en ontdek je op den duur hoe je dat kunt verhelpen. Dat wil zeggen hoe je anderen zover kunt krijgen dat te verhelpen, hard brullen namelijk. Hierna komen angst om enge dingen, woede als je je zin niet krijgt en de angst verlaten te worden door je vertrouwde gezichten. Deze kanten van nadoen zijn eenrichtingsverkeer. Nadoen heeft ook een kant van tweerichtingsverkeer, van inleven in een ander. En dat begint ook al direct na de geboorte, in feite al in de baarmoeder. Inleven betekent aanvoelen wat de stemming is, aanvoelen wat er in de ander omgaat, allereerst alleen bij de moeder. Een zuigeling heeft al een bijzonder gevoelige antenne voor de stemming bij degene die hem verzorgd. Weten wat de stemming is is natuurlijk cruciaal bij het greep krijgen op zijn omgeving. Lachen, blijdschap, ruzie, spanning, zuigelingen voelen feilloos aan wat er gaande is. 

Het theater van je bewustzijn

Je inlevingsvermogen is geen feestneus die je af en toe opzet, maar een eigenschap die diep in je wezen is geworteld. Dit is hoe je bent. Je probeert greep op de wereld te krijgen door hem in je op te nemen, door hem in je hoofd na te bouwen. Door anderen na te doen, door hun gezichtspunten in te nemen, maak je ze deel van jezelf. Het worden personages in het theater in je hoofd, die je laat naspelen wat je hebt meegemaakt, of scenario’s laat spelen hoe het ook zou kunnen verlopen. Jouw ‘cast’ bestaat uit specifieke personages die gebaseerd zijn op werkelijk bestaande personen en algemenere personages, die zijn samengesteld uit groepen anderen. Dit theater stelt je in staat in te schatten hoe dingen zouden kunnen uitpakken, want je hebt al uiteenlopende scenario’s verkend. 

Waarneming, geheugen, taal, intelligentie en andere zogenoemd cognitieve functies stellen je in staat heel intelligent en capabel te handelen, maar hoe krachtig deze functies ook zijn, je zit nog steeds opgesloten in jezelf. Het is je bewustzijn dat je in staat stelt los te komen van jezelf, om boven jezelf uit te stijgen. Het innemen van uiteenlopende gezichtspunten en het verkennen van deze gezichtspunten in mogelijke scenario’s in het theater van je bewustzijn brengt perspectief in je wereld. 

Een gedeelde wereld

Hoe weet je wat er in het hoofd van een ander omgaat? Dat kan toch niet? Zelfs niet als het iemand is die je goed kent? Het antwoord is dat dit wel degelijk mogelijk is omdat alles waar je je bewust van bent per definitie gedeeld is. Dat is de aard van bewustzijn. Hoe dichter menen bij je staan, hoe meer je gemeen hebt. Natuurlijk kunnen we niet precies zien wat een ander denkt – misschien komt dat nog eens – maar we zijn geen vreemden van elkaar, we hebben een gedeelde wereld. 

Dit is niet zomaar een denkbeeldig ‘gedeelde’ wereld. Je hersens zitten zo in elkaar dat kijken naar iemand die pijn lijdt ook daadwerkelijk pijn bij jezelf oplevert. Niet honderd procent hetzelfde, maar hersenscans laten zien dat kijken naar iemand die door iets geraakt wordt, ook jou iets doet. Als je naar een speelfilm kijkt weet je dat het niet echt is, maar toch raakt het je en heb je de neiging weg te kijken als iemand iets akeligs meemaakt. En we hebben het ook al gehad over tennissers en musici die respectievelijk kijken en luisteren dat het werk van vakgenoten.

De ander figureert in jouw theater en jij in dat van de ander. In je hoofd ben je geen moment alleen. Jij bént jouw theater en iets bedenken, je iets voorstellen, betekent iets ensceneren waarin anderen figureren. Je theater heeft wel voortdurend verse input nodig om te zorgen dat de doorlopende voorstelling verbonden blijft met de buitenwereld. Mensen kunnen er meestal niet goed tegen lang alleen te zijn, je theater gaat op den duur een eigen leven leiden. 

We weten wat er in het hoofd van een ander omgaat door ons inlevingsvermogen. Bij de één is dit wat verder ontwikkeld dan bij de ander. Ik verdeel de mensenwereld wat dat betreft altijd maar in twee apensoorten, goede apen en kwade apen – zeg maar bonobo’s en chimpansees. Op dit moment lijken de kwade apen de overhand te hebben.

Zombies en robots

Als je naar een ander kijkt, zie je jezelf weerspiegeld in diens ogen en andersom geldt hetzelfde. Dit komt doordat je beide figureert in het theater van de ander. Dit is de warme blik van herkenning, van medemenselijkheid. Mensen die iets slechts van plan zijn, hebben een ‘koude’ blik, waaraan de herkenning van jou als mens ontbreekt. Ze hebben zich afgesloten van hun medemenselijkheid als een roofdier dat jouw bekijkt als een prooi. De spreekwoordelijke ‘zombie’ uit horror-verhalen is angstaanjagend omdat hij geen ziel heeft, een ander woord voor bewustzijn. Veel mensen vinden robots beangstigend omdat zij ook een ‘koude’ blik hebben. Zonder bewustzijn, oftewel zonder medemenselijkheid, zijn ze tot alles in staat.

Het rubberen hand-experiment

Het was in de tijd van zijn bachelor psychologie dat Rik van Maarseveen, hoofdpersoon uit Alias Lisa, gegrepen werd door de vraag hoe het mogelijk was dat de beelden van een speelfilm het effect op je hadden alsof het werkelijk gebeurde. De illusie kon zo sterk zijn dat het fysiek pijn deed. Zijn mede-studenten waren druk bezig tentamens voor te bereiden – hij zat inmiddels in zijn derde jaar – en waren niet geïnteresseerd in dit soort vragen. Ook de docenten hadden wel iets beters te doen – tentamenvragen bedenken – zodat hij zelf maar op zoek ging op internet. Daar stuitte hij op een artikel dat een wereld voor hem deed opengaan. Het ging over ‘spiegelneuronen’. Normale neuronen werden óf actief als er iets werd waargenomen, óf als er zelf een handeling werd uitgevoerd. Spiegelneuronen, zo leerde hij, hadden de bijzondere eigenschap dat ze in beide gevallen actief werden. Kijken naar de bewegingen van een ander voelde daardoor net alsof je die bewegingen zelf maakte en kijken naar wat een ander overkwam alsof je het zelf meemaakte. Hoe beter je iets uit eigen ervaring kende, hoe sterker de ervaring werd als je het een ander zag doen, zoals een beroepstennisser die naar een tenniswedstrijd zit te kijken en de slagen als het ware zelf in zijn hoofd maakt. Ook hoe dichter een ander als persoon bij je stond, hoe sterker je zelf voelde wat die ander overkwam. Een ouder die zijn kind zag vallen moest bijna pleisters op zijn eigen benen plakken. Door onze spiegelneuronen konden we met anderen meevoelen en meedenken.

Spiegelneuronen

Het hem tot dan toe onbekende fenomeen ‘spiegelneuronen’ was een openbaring, waardoor in één klap een berg puzzelstukjes over menselijk gedrag op zijn plek viel en hij oneindig veel toepassingen voor zich zag. Hij was zo opgetogen dat hij, voordat hij het in de gaten had, erover begon tegen zijn zus Wiesje en haar vriend Andy. De houding van Wiesje tegenover hersenonderzoek was niet veel anders dan die van de meeste anderen met wie hij wel eens over dit onderwerp had gepraat. Behalve dat ze het nogal abstract vond, stond ze erg argwanend tegenover het idee dat alles wat we doen, denken en voelen bepaald wordt in onze hersenen. Diep beledigd had ze hem een keer naar zijn hoofd geslingerd dat het wél ging over de menselijke geest en over zelfbewuste, verantwoordelijke mensen met een vrije wil. Rik veegde duizenden jaren menselijke beschaving van tafel. ‘We zijn geen apen die achter aangeboren reflexen aanlopen!’ Het had hem op de lippen gelegen te zeggen dat het verschil heel wat kleiner was dan het leek. Zoals te verwachten vond ze dat hij zwaar overdreef met de rol die neuronen speelden bij hoe een film overkomt, maar deze keer liet hij het er niet bij zitten en daagde haar uit mee te werken aan een psychologisch experimentje. Hij beloofde haar hoofd niet kaal te scheren of in te smeren met gel om hem vervolgens vol te plakken met elektroden. 

Het experiment

Op de dag van de afspraak had Rik een plaat triplex met een lijmklem rechtop aan de keukentafel bevestigd. Op de tafel had hij een soort kunstarm uitgestald, een mouw van een oude trui gevuld met schuimplastic, met daaraan een eveneens gevulde huishoudhandschoen. Verder lagen er twee kwastjes en een hamer. Met een huishoudtrap, waarover hij een deken had gehangen, zorgde hij dat ze het tafereel niet direct bij binnenkomst zagen. Een uur te laat kwamen Wiesje en Andy binnen. Hij wilde niet weten waarom ze zo laat waren en stelde na een korte begroeting en een snel kopje koffie voor te beginnen. Toen ze naast hem voor de trap stonden, trok Rik met een gebaar alsof hij iets groots onthulde de deken weg en wees triomfantelijk naar de schamele uitstalling op de keukentafel. Niet-begrijpend en met enige weerzin keken ze naar wat daar lag, Wiesje, als beoogd proefpersoon, zelfs een beetje onzeker.
Ter geruststelling zei hij: ‘Doet geen pijn, hoor. Nou ja, nauwelijks. Hoewel.’
Om er na even aan toe te voegen: ‘Het is allemaal illusie moet je maar bedenken.’
Met een uitnodigend gebaar trok hij de stoel aan één kant van de tafel naar achteren, waarna Wiesje aarzelend ging zitten. Ze moest zo gaan zitten dat ze met haar rechtersleutelbeen tegen de zijkant van het scherm zat en haar rechterarm niet meer kon zien. Vervolgens moest ze haar rechterarm met de handpalm naar beneden op tafel leggen. Rik legde de kunstarm zo neer dat het voor haar leek of het haar echte rechterarm was. De hamer legde hij buiten haar zicht bij haar echte arm. Tenslotte legde hij de twee kwastjes voor haar kunstarm neer en liep om de tafel heen om tegenover haar plaats te nemen. Alsof hij een grote goocheltruc ging doen hield hij met een theatraal gebaar met iedere hand een kwastje omhoog.
‘Laten we beginnen.’
Rik was zo gaan zitten dat hij zowel Wiesjes echte rechterarm achter het scherm kon zien, als haar rechterkunstarm en begon met de twee kwastjes tegelijkertijd en op dezelfde manier vinger voor vinger over de beide handen te strijken. Wiesje zag hoe het ene kwastje over haar kunsthand streek en voelde de aanraking van de andere over haar echte hand.
‘Blijf kijken naar het kwastje, concentreer je op wat je voelt en beweeg je hand niet,’ zei Rik.
Na een paar minuten pauzeerde hij even en zei: ‘Nu opletten.’
Daarna begon hij opnieuw met het kwastje over Wiesjes vingers te strijken. 
‘Voel je verschil met wat ik net deed?’
’Nee. Moet dat dan?’
‘Het is hoe je het bekijkt. En wat doe ik nu?’
‘Je strijkt met het kwastje over mijn wijsvinger, van mijn knokkels naar de vingertop.’
Hij keek haar veelbetekenend aan: ’Nadat ik vroeg of je een verschil merkte, heb ik je echte hand niet meer aangeraakt, alleen je kunsthand.’
Ze keek hem ongelovig aan: ‘Ik voelde het echt!’
‘Reken maar dat je het echt voelde. Ik ga nog even een stapje verder.’
Hij ging weer verder met het kwastje.
‘Concentreer je op wat je voelt.’
Wiesje knikte, terwijl ze geconcentreerd naar haar kunsthand keek.
Toen greep hij plotseling met een snelle beweging de hamer en sloeg er hard mee op de kunsthand.
‘Au’ schreeuwde Wiesje en trok met een ruk haar rechterarm terug, waarna ze kwaad en geschokt ‘Sadist!’ tegen hem riep.
Met een verontschuldigend gebaar van ‘het was maar een grapje’ stak hij beide handen omhoog.
Verontwaardigd en met een pijnlijk gezicht keek ze naar haar ongeschonden hand.
’Deed het echt zeer?’ vroeg Rik met enig medeleven, maar ook nieuwsgierigheid.
‘Ja, natuurlijk, wat dacht je dan!’
Rik bleef haar onderzoekend aankijken, waarna ze er met enige aarzeling aan toevoegde: ‘Niet echt, maar toch ook weer wel.’

Een mens en zijn persona’s

Toneelspelen, verhalen verzinnen, doen alsof, dagdromen, fantaseren, oftewel spelen dat je in een andere wereld leeft en jij een andere persoon bent, het zit diep in ons. Kinderen brengen een belangrijk deel van hun tijd door met allerlei doen-alsof spelletjes en gebruiken het verwante ‘imiteren’ of ‘na-apen’ om een ander te pesten. Popmuziek is voor veel kinderen en tieners een droomwereld waarin ze hun fantasieën kunnen projecteren op hun idolen. Imitatie en projectie zijn manieren van omgaan met de ons omringende wereld die diep zitten ingebakken in ons wezen en die iets laten zien over de werking van onze spiegelwereld. Na het tienerleven begint het ‘echte’ toneelspelen, fictieve verhalen schrijven en al die andere vormen van verhalen bedenken: film, ballet, opera, musical, enz. Ook hebben we al lang geleden ontdekt dat ‘doen alsof spelletjes’ echte impact kunnen hebben: we spelen gevoelige gebeurtenissen na in allerlei vormen van dramatherapie, waarbij we onder meer kennis opdoen bij de rituelen van natuurvolken en gebruiken rollenspel in bedrijfstrainingen. 

Iedereen kent het verschijnsel dat mensen in verschillende omgevingen verschillende kanten van zichzelf laten zien: hun persona’s voor al hun verschillende omgevingen zijn niet helemaal hetzelfde. Bij de één is dat verschil klein en bij een ander is dit zo groot dat je ze nauwelijks herkent. Bij de één zit hun persona ook veel ‘losser’ dan bij een ander. Die mensen zou je suggestibel, of beïnvloedbaar noemen. En je hebt mensen bij wie ieder persona slecht past, die altijd onecht overkomen, wat weer wat anders is als ‘uit je rol vallen’.

Integriteit

Toneelspelen werd niet in iedere omgeving op waarde geschat. In niet-Westerse culturen wordt gesproken over praten met ‘dubbele tong’ of ‘gespleten tong’ als iemand zich in ander gezelschap anders voordeed. In het Wilde Westen was toneelspelen een gevaarlijk beroep, met name voor de slechterik. En Sartre had het over ‘kwade trouw’ als iemand bijvoorbeeld speelde een ober te zijn in plaats er één te zijn. In al deze gevallen gaat het om integriteit. Je bent integer als je geen delen van jezelf of dingen die je hebt gedaan ontkend. Dan neem je verantwoordelijkheid voor alles wat met jezelf verbonden is en ben je een geheel. Vandaar het woord. 

Sartre was niet de eerste en laatste filosoof die opmerkte dat er een soort gespletenheid in mensen zit. Steeds als je in alle oprechtheid meende te kunnen zeggen ‘zo ben ik’ kwam er weer wat bij, al was het maar door wat je net zei. Sartre en andere existentialisten spraken over ‘jezelf vooruit zijn’. Een stroming in de sociale wetenschappen noemde zichzelf met enige zelfspot ‘etnomethodologen’, zij bestudeerden met andere woorden de ‘methodes waarmee mensen hun wereld construeerden’. In hun visie was het leven één theater en wij allemaal acteurs. 

Je weet dat het ‘maar’ spel is, maar toch …

Het bijzondere aan het spelen van een rol is dat ondanks dat je weet dat het maar een spel is, het toch zo echt kan voelen. Of eigenlijk is dat ook volkomen logisch. Iedereen krijgt toch al een rol in het theater van je spiegelwereld, zodat je hem zelf ook een beetje kan spelen. Er is geen wezenlijk verschil tussen het ‘spelen’ van jezelf of het ‘spelen’ van een ander, hooguit komt de ene ervaring harder aan dan de andere. Het is zelfs onmogelijk om je af te sluiten van de pijn van een ander. Mensen die beroepsmatig te maken krijgen met nare ervaringen van anderen, zoals soldaten, politieagenten en hulpverleners, kunnen zich hier hooguit een beetje meer tegen harden. Desondanks moet nazorg altijd klaarstaan om ptss (post traumatische stress stoornis) te voorkomen. Denk ook aan de acteur Pierre Bokma die echt aangedaan was door zijn rol van Adri van der Heijden in de film ’Tonio’ over het drama van het verongelukken van de zoon van Van der Heijden. De wereld is gelijk een schouwspel en een mens is een acteur het diepst van zijn gedachtes. 

Een goede acteur geeft jou het gevoel dat hij dat personage is en niet dat hij het maar speelt. Dat doet hij door op subtiele wijze onze spiegelwereld aan het werk te zetten. Hij suggereert een personage op een zodanige manier dat jouw inlevingsvermogen en jouw gretigheid om je met iemand te identificeren wordt geprikkeld. Het resultaat is geslaagd als het personage een mooie balans is tussen wat de acteur oproept – niet te weinig, want dan kom jij niet op gang en geen ‘over-acting’ want dan gaat het in de weg staan – en wat jij erop projecteert.

Hoewel toneelspelen geen enkel mens vreemd is, is de manier waarop een acteur zich inleeft in een ander van een heel andere orde. Om een rol te spelen, moet je jezelf loslaten en het personage in jezelf tot leven laten komen. Dat je daarbij put uit je eigen ervaringen, zoals ‘method acting’ leert, doet er niets aan af dat je uit jezelf moet treden en dat dat een ervaring kan zijn die je flink in de war kan brengen. Dustin Hoffman moest naar verluid na ieder rol naar de psychiater. In een beroemd verhaal over de samenwerking van Laurence Olivier en Dustin Hoffman voor de film Marathon Man vraagt Olivier, als Hoffman ’s ochtends aankomt op de set, waarom hij er zo belazerd uitziet. Hoffman zegt dat hij zich had uitgeput en afgemat om in de juiste stemming te komen, waarna Olivier antwoordt: ’Try acting, boy’.

Uittreding

Deze serie blogs gaat over je ik-gevoel: voelt je lichaam en je gedrag aan als dat van jezelf en wanneer is dit niet (helemaal) het geval. We zagen al dat een kunstledemaat aan kan voelen als een deel van je eigen lichaam en dat zelfs machines als auto’s en graafmachines zo kunnen aanvoelen. Kunstmatige intelligentie kan helpen om op een intuïtieve manier een machine aan te sturen en daarmee het gevoel te versterken dat het een deel van jezelf is. Daarbij kan de grens vervagen tussen wat je feitelijk aanstuurt en waarvan je alleen de illusie hebt dat je het aanstuurt. Apraxie, of ‘vreemde hand’ is daarentegen het gevoel dat een lichaamsdeel juist niet meer aanvoelt als deel van je eigen lichaam. Acteren kun je omschrijven als het ‘met jezelf en je eigen lichaam in de huid kruipen van een andere persoon. Uittreding tenslotte betekent dat je buiten je eigen lichaam treedt. 

Je kunt twee vormen van uittreding onderscheiden: je treedt buiten je eigen lichaam en kijkt als een ‘lichaamloos wezen’ naar je eigen lichaam en je treedt buiten je eigen lichaam en neemt tijdelijk een ander lichaam aan, een avatar met andere woorden.

‘Lichaamsloze uittreding’

Een toestand van ‘lichaamsloze uittreding’ kan worden opgewekt op een vergelijkbare manier als bij het eerdergenoemde ‘rubberen hand-experiment’. Dick Swaab beschrijft in Wij zijn ons brein in het hoofdstuk Foppen en uitval van het zelfbewustzijn het volgende experiment. Een proefpersoon krijgt een virtual reality-bril op, waarin life-beelden worden getoond van zijn eigen rug. Zijn hersenen gaan aan het werk om iets begrijpelijks van deze beelden te maken. Nu is de cameraopstelling heel doortrapt zo gekozen dat je hersenen op het verkeerde worden gezet en de illusie creëren dat hij achter zijn eigen lichaam staat en ‘van buiten’ kijkt naar het lichaam van een ander. Vervolgens wordt hij met een wattenstaafje op zijn borst aangeraakt en tegelijkertijd op eenzelfde manier op zijn rug. De verwarrende beelden en aanrakingen zetten zijn hersenen verder aan om de illusie te versterken dat hijzelf in een virtueel lichaam zit en dat zijn eigen lichaam dat van een ander is.

Lamme beschrijft in Vrije wil bestaat niet patiënten die als gevolg van een hersenbeschadiging de illusie hebben dat ze een dubbelganger van zichzelf zien, alsof ze zich op twee plaatsen tegelijk bevinden. Het gezichtspunt van waaruit ze naar zichzelf kijken kan variëren, evenals wat ze van zichzelf zien: een deel of helemaal. Deze illusie van uittreding kan ook doelbewust worden opgewekt door een specifiek hersendeel (het overgangsgebied tussen de temporale en pariëtale kwab) te prikkelen met een stroompje van de juiste sterkte. 

Uittreding naar een avatar

Een computergame met avatars spelen houdt in dat je je ik-gevoel verplaatst naar een ander ‘lichaam’. Bij een computergame is dat een soft-avatar, een virtueel lichaam. Je kunt je voorstellen dat dit ook een op afstand bestuurbare robot had kunnen zijn, een telerobot. Bij het spelen van een personage moet je jezelf thuislaten en je lichaam meenemen, bij het gebruiken van een avatar is dat andersom. Je moet proberen thuis te raken in je nieuwe lichaam, in hoe het beweegt en hoe de wereld eruit ziet door je nieuwe ogen. Het hangt af van de kwaliteit van de aansturing hoe snel je thuis bent in je nieuwe lichaam en natuurlijk in welke situaties je je wilt begeven.

In de film Avatar is een avatar niet zo maar in elkaar gesleuteld uit chips, moertjes en boutjes, maar wordt gekweekt als een levend wezen. Een mens krijgt zijn eigen, unieke avatar, die genetisch op hem afgestemd is. Om uit te treden uit zijn eigen lichaam en bezit te nemen van zijn avatar, moet hij in een soort cocon gaan liggen, waar zijn ‘ik’ wordt losgemaakt van zijn lichaam, zodat het kan overgaan naar zijn avatar. Die cocon is een uitvinding uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw, waar in de klassieke horrorfilm The Invasion of the Bodysnatchers mensen met behulp van cocons door buitenaardse wezens beroofd werden van hun lichaam. In Avatar blijft het eigen lichaam ook in de cocon achter, maar krijgen de mensen het na afloop van hun uitstapje weer keurig terug. De ‘aansturing’ van hun avatar gaat gedachteloos en voelt aan alsof het hun eigen lichaam is. Hoofdpersoon Jake kiest er uiteindelijk voor om zijn ‘ik’ definitief te laten transporteren naar zijn nieuwe lichaam om zodoende in zijn nieuwe wereld en bij zijn liefje te kunnen blijven. Dat is nog wel even een dingetje omdat die nieuwe wereld een planeet is met voor mensen giftige lucht. In de film had de wetenschap hier kennelijk nog geen oplossing voor en was het een kwestie van afdoen van je zuurstofmasker en bidden dat de dienstdoende god je toelaat in je nieuwe gedaante.

Zelfsturende auto’s

Zo mooi als Jake’s avatar zal het voorlopig niet worden, wij moeten het nog even doen  met een ‘console’ met een joystick, wat knoppen en een virtual-reality-bril waar je misselijk van wordt. Er wordt echter hard gewerkt aan de interface waarmee mensen machines aansturen. Het draait hierbij om kunstmatige intelligentie. Een chirurg voert op afstand een operatie uit en zijn bewegingen van de joystick worden ‘gecorrigeerd’ om trillende handen en kleine onnauwkeurigheden te ondervangen. Een ‘zelfrijdende auto’ is niet simpelweg een auto die zelf rijdt. Het is een auto die, afhankelijk van de klasse van zelfstandigheid, een reeks taken van de menselijke bestuurder overneemt. Dat begint met piepgeluidjes als er iets voor de auto te snel nadert. Vervolgens begint hij zelf te remmen en weer een andere manier van ondersteuning is het bijsturen. Bij grote verkeersvliegtuigen zijn de rollen allang omgedraaid. Het is allereerst de automatische piloot die stuurt en af en toe doet de menselijke piloot nog wat. De recente ongelukken met Boeing vliegtuigen laten zien wat dit kan inhouden. Het is de vraag of de automatische piloot een kapitale fout maakte, of dat het ongeluk werd veroorzaakt doordat de automatische piloot en de menselijke piloot tegen elkaar in werkten als de spreekwoordelijke twee kapiteins op de brug. Het eerste geval roept vragen op over hoe het mogelijk was dat de piloot niet kon ingrijpen. In het tweede geval wordt het misschien nog veel ingewikkelder. Moet een piloot uiteindelijk altijd de automatische piloot kunnen overrulen, of zijn er gevallen dat de automatische piloot het laatste woord heeft? Zoals in het geval dat een piloot een paar jaar geleden doelbewust met een groot vliegtuig vol passagiers tegen een berg aanvloog omdat hij persoonlijke problemen had.

Hoe ik Alias Lisa ga publiceren

In oktober vorig jaar besloot ik niet langer te proberen mijn manuscript via een uitgeverij te publiceren. Nu, een half jaar later, wacht ik vol ongeduld het proefexemplaar af en zal het boek binnen circa twee weken beschikbaar zijn in alle boekwinkels. Daar is wel één en ander aan vooraf gegaan.

Nooit meer ongevraagd een manuscript toesturen

Het ging te veel over de verkeerde dingen. Nog weer een andere formulering van het boekvoorstel en opnieuw twee à drie maanden wachten op een volstrekt ongrijpbare reactie op het toezenden van het manuscript. Bovendien vond ik het manuscript goed zoals het was en stond het idee mij tegen het op verzoek van een uitgever nog een keer om te moeten gooien. Tenslotte bleken er steeds meer uitgeverijen te zijn die geen ongevraagde manuscripten meer accepteerden. En terecht. Er is een ongezond literair klimaat ontstaan, met uitgevers die niet meer weten wat ze met al die manuscripten aanmoeten en aankomend schrijvers die zich, meestal erg prematuur, in de armen van een uitgever willen storten. Mijn motto is vanaf nu, zelf aan de slag gaan. Iedere schrijver, met of zonder contract, zou dat moeten overwegen. Het is geen principiële keuze, je kunt altijd nog overstappen. Het is maar net wat passend is in een bepaalde fase van je schrijverschap. Voor de meeste schrijvers is het waarschijnlijk beter zelf te beginnen met het publiceren van korte verhalen in literaire bladen of bundels en wellicht de eerste romans zelf te publiceren. Pas als je enige aandacht op je hebt weten te vestigen en behoefte krijgt aan meer ondersteuning, komt een uitgeverij in beeld. Het is dan ook niet meer een kwestie van alles of niets. Je kunt doorgaan als onafhankelijk schrijver, of tekenen, mocht je ‘in gesprek zijn geraakt met een uitgever’. Net wat je op dat moment het aantrekkelijkst vindt.

Wat houdt ‘een boek schrijven’ eigenlijk in?

Wees niet bang, ik ga geen college geven. Ik zal wat punten noemen, zodat je een idee hebt wat een boek schrijven nu eigenlijk inhoudt. Het gaat dan natuurlijk om een boek dat je wilt publiceren. Het grote werk is het ontwikkelen van een goed manuscript. Er is een wereld aan cursussen, workshops en zelfs complete opleidingen. En als je verder gevorderd bent zijn er bureaus voor redactie en coaching. Ik heb ooit een paar workshops gevolgd, heb dankbaar gebruikgemaakt van de boeken uit de schrijversbibliotheek van Atlas Contact en heb gewerkt met een bureau voor manuscriptbegeleiding. Vooral dat laatste heeft mij flink geholpen. Zonder professionele feedback wordt het niets, durf ik te stellen. 

Publiceren zonder uitgeverij betekent natuurlijk niet dat je wat daar gebeurt over kunt slaan. Behalve redactie en correctie, gaat dat om zaken als ontwerp en layout van het binnenwerk, een omslag-illustratie, ontwerp en layout van het omslag, aanvragen van een ISBN en het verzorgen de uitgave, drukwerk en/of Ebook. Maar zonder publiek bestaat je boek eigenlijk niet. Wie zouden geïnteresseerd zijn en welke publiciteit is er nodig om hen te bereiken. Ten slotte zul je iets moeten regelen voor de distributie en verkoop. 

Een zelf-publiceerplatform

In 2012 gaf ik mijn eerste roman zelf uit. Ik heb het boek zelf laten vormgeven en drukken en heb een contract als kleine uitgever afgesloten met het Centraal Boekhuis om te zorgen dat het in iedere boekhandel te krijgen was. Nu er online zelf-publiceerplatforms zijn zal ik dat nooit meer zo doen. Veel te veel investeringen en gedoe. Voor Alias Lisa maak ik gebruik van Brave New Books, een samenwerkingsverband van Singel Uitgeverijen, Bol.com en Mybestseller BV. Net als bij andere zelf-publiceerplatforms moet je alles zelf doen, maar kun je voor alle taken ondersteuning inhuren, van redactie tot het maken van de omslag-illustratie. Als je alles zelf doet en gebruikmaakt van Printing-On-Demand (POD), zijn je enige kosten €12,50 voor een ISBN. Het platform zorgt dat je boek bij het Centraal Boekhuis wordt aangemeld, zodat het in de catalogus komt van iedere boekwinkel in Nederland en Vlaanderen. 

Het is heel ontnuchterend om op deze manier je boek te publiceren. Een rekenmodule laat je direct de financiële consequenties zien als je er bijvoorbeeld een chique uitgave van wilt maken en de prijs laag wilt houden. Je mag het zelf allemaal bepalen, maar alles heeft zijn prijs.

De belangrijkste overweging om van deze voorziening gebruik te maken was voor mij dat ik mijn handen vrij hield om mij te kunnen richten op het schrijven en het opbouwen van een publiek. De één vindt dat laatste vreselijk en de ander doet niets liever, maar alle schrijvers zullen eraan moeten geloven iets aan publiciteit en pr doen. Overigens ontkom je daar ook niet aan als een uitgever je boek publiceert. Die verwacht tegenwoordig ook dat je kunt aangeven wie in je boek geïnteresseerd zou zijn en dat je actief bent op social media.

Alias Lisa, mijn nieuwe roman, is er bijna


Omslag van de roman Alias Lisa
Omslag van de roman Alias Lisa

En dan gaat het toch opeens snel, de publicatie van mijn nieuwe roman Alias Lisa! Deze week verwacht ik het proefexemplaar en als dat er goed uitziet kan ik op de knop Publiceren drukken. Het boek zou dan begin april in de boekhandel verkrijgbaar moeten zijn (geen 1 aprilgrap!). Tegen die tijd zal het boek ook als Ebook beschikbaar zijn. Hou deze site in de gaten, ik laat het je weten wanneer het zover is.

Een psychologische thriller over identiteit en bewustzijn

Alias Lisa draait om identiteit, om de vraag wie iemand eigenlijk is. De hamvraag daarbij is wat je van iemand kunt verwachten, waartoe hij in positieve en negatieve zin in staat is. Dat is een vraag voor anderen, maar ook voor jezelf. Ieder mens heeft meerdere kanten, sommigen zijn bij tijd en wijlen onherkenbaar en anderen blijven onder alle omstandigheden dezelfde persoon. Dat laatste kan een voordeel zijn, maar ook een nadeel. Voor een acteur is het een nadeel. Ook voor de proefpersonen van hoofdpersoon Rik van Maarseveen. Deze jonge psycholoog doet promotieonderzoek naar het direct vanuit de hersenen aansturen van telerobots. Riks proefpersonen krijgen daardoor ernstige psychische problemen, zij weten niet meer wie zij zijn. Het onderzoek van Rik, zijn levenswerk, komt in gevaar. Maar dan komt hij de actrice Lisa Pallenberg tegen. Lisa is het tegenovergestelde van Riks proefpersonen, zij heeft een verbluffend vermogen zich te verplaatsen in andere personages en gedaanten. Als zij echter zichzelf moet zijn, weet ze niet wie zij is. Rik krijgt hoop bij haar een oplossing voor de problemen met zijn proefpersonen te vinden, maar zij verdwijnt spoorloos. De speurtocht naar Lisa brengt Rik bij de eens beroemde portretfotograaf Taco Noorda. Een portret van Noorda maakt iemand buitengewoon succesvol, maar na verloop van enige jaren kwijnt hij weg. Meerdere geportretteerden plegen uiteindelijk zelfmoord. Rik ontdekt dat Lisa op tragische wijze verbonden is met Noorda en zijn fotografie.

Geen science fiction

Het klinkt als science fiction, maar er komt geen techniek aan de orde waarover niet al jaren in de krant wordt geschreven. Telerobots, zelfrijdende auto’s, vliegtuigen, één pot nat, allemaal slimme machines die ze vol met kunstmatige intelligentie hebben gestopt. Er komt ook geen woord Frans in voor, laat staan dat het verhaal zich afspeelt op een ruimteschip. Riks vrienden vinden zijn onderzoek maar ‘creepy’ en zelf heeft hij er ook dubbele gevoelens bij. Je bent dus niet de enige met gemengde gevoelens bij al dat computer-gedoe. 

Het decor is het Nederland van deze tijd. Rik is verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, evenals zijn charismatische, weinig scrupuleuze promotor, professor Guido Hartman. Rik woont hartje stad Rotterdam op een omgebouwd binnenvaartschip in het Haringvliet. Zijn lab is gevestigd in de loods van de voormalige scheepswerf RDM Rotterdam op Heijplaat. Verder komt de Veerhaven voorbij en vindt er een feest plaats op de SS Rotterdam. De tweede helft van het verhaal speelt zich af in de stad Groningen en op Schiermonnikoog. Vanuit het schip in de Noorderhaven, waarop Rik en zijn vrienden logeren, worden ‘uitstapjes’ gemaakt naar De Drie Gezusters, Het Pakhuis en De Spieghels in de binnenstad van Groningen, en naar Hotel Van der Werff op Schiermonnikoog. 

Geen traditionele thriller

Alias Lisa is een thriller in de zin dat het een spannend, plotgedreven verhaal is. Maar het is geen thriller volgens de gangbare opzet, met een lijk op de eerste pagina en geweld, achtervolgingen en misleidende sporen tot aan de ontknoping. Strikt genomen is het een combinatie van klassieke tragedie en intrige. Het is een klassieke tragedie omdat de verwikkelingen het gevolg zijn van omstandigheden (shit happens), oftewel het noodlot, en niet van kwalijke drijfveren. Verder is het een intrige, omdat het verhaal een wat duistere sfeer heeft en lang niet alle vragen tot klaarheid wordt gebracht. Maar als het goed is, zul je het wel een intrigerend verhaal vinden. Misschien moet ik nog eens een prijsvraag houden wie alle klassieke thema’s die erin zitten kan aanwijzen. Alias Lisa is een prequel van de in ontwikkeling zijnde romancyclus De Grote Migratie.

Kunstmatig bewustzijn

‘Een mens leeft bij de gratie van zijn spiegelwereld’, heb ik in een eerder deel van deze reeks over je ik-gevoel betoogd. Een algemene eigenschap van een mens is om in zijn hoofd van alle informatie uit je lichaam en je omgeving je eigen begrijpelijke wereld na te bouwen. Deze spiegelwereld maakt de binnenwereld van je lichaam en de buitenwereld van je omgeving hanteerbaar, waarbij eventueel ontbrekende of tegenstrijdige informatie wordt aangevuld of aangepast, zodat je er toch iets mee kunt. In een reactie op een bepaalde situatie komt alles samen van de eigenschappen die je hebt geërfd en die je vanaf de conceptie hebt ontwikkeld. Dat gaat om de eigenschappen van al je hersenfuncties afzonderlijk, zoals je emoties, je waarneming en je intelligentie, en uiteindelijk hoe deze na veel onderling gekrakeel gezamenlijk tot een bepaalde reactie komen. Je reactie is met andere woorden een team-inspanning van al je hersenfuncties, de inspanning van een zelf-organiserend team zonder ‘captain’ (we zijn ons er eentje). Je bent je weliswaar bewust van hoe je reageert, maar dan als toeschouwer en niet als captain van het team. En die toeschouwer let vooral op wat relevant is voor de communicatie met anderen en merkt andere dingen niet eens op. Overigens levert dat ‘toeschouwer zijn bij wat je doet’ ook weer feedback op, die op de één of andere manier van invloed zal zijn bij een volgende reactie in een vergelijkbare situatie. Hoe dan ook moet het ‘kunstmatig bewustzijn’ uit de titel eigenlijk ‘kunstmatige spiegelwereld’ zijn.

Het uitbreiden van je intelligentie met kunstmatige intelligentie is een ingreep in hoe je de dingen doet, een technische ingreep, maar het uitbreiden met kunstmatige middelen van de wereld waarin je leeft, de wereld in je hoofd, is een ingreep in jezelf. En je kunt wel zeggen dat de technologische ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar onze wereld flink op zijn kop hebben gezet. Ook het tempo van veranderingen is hoog. Niet iedereen is daar blij mee. In mijn vorige werk had ik vaak de ondankbare taak om collega’s te vertellen dat we weer iets nieuws hadden bedacht en dat ze daarom hun werk anders moesten doen. Dat maakte mij niet populair. Er waren er zelfs bij die vonden dat ze het recht hadden om hun werk tot in de eeuwigheid op dezelfde manier te blijven doen. Bij één van de laatste reorganisaties die ik daar meemaakte, was de boodschap duidelijk: het enige wat blijft in je werk, is verandering. Wen er maar aan.

Rust, regelmaat en reinheid

Wanneer vind je rust in je werk? Geen onbelangrijke vraag in deze tijd van om zich heen grijpende stress. Een belangrijke factor is of je er je eigen werk van kunt maken en erin op kunt gaan. Hiervoor moet je de ruimte krijgen om het op je eigen manier te doen. Als je een nieuwe taak krijgt, dan heb je er je handen vol aan om het hoe dan ook voor elkaar te krijgen en doe je het precies zoals een ander je het verteld heeft. Naarmate je er meer in thuisraakt, ga je andere mogelijkheden ontdekken en dat is de ruimte die je nodig hebt om er je eigen werk van te maken. Ook ritme en routine geeft ruimte. Bij iedere verandering ben je die ruimte weer voor een deel of helemaal kwijt.

Werk kan vervelend zijn en dan is het heerlijk om iets nieuws te kunnen doen, maar je kunt ook ‘moe in je hoofd’ worden van een overdosis aan nieuwe dingen. Ik ben zelf een enthousiast computergebruiker en gebruik hem voor een scala aan toepassingen. Toch heb ik de ouderwetse neiging om voor een bepaalde toepassing zo veel mogelijk hetzelfde programma te gebruiken en deze grondig te leren kennen. Ik word horendol van die ’echte’ ict-ers, die iedere keer als ze iets moeten doen weer een ander programmaatje van internet plukken. Ik verdenk ze ervan dat het hun alleen om de computer gaat en niet om het gebied waarvoor je hem zou kunnen gebruiken. Hoe dan ook is dat voortdurende kunst en vliegwerk waarmee dingen voor elkaar gekregen moeten worden, mij te onrustig.

Digibeten, digital natives en heimwee

Mechanisering die banen kost, is bepaald niet nieuw. Machines nemen ons al sinds het begin van de eerste industriële revolutie, twee-en-een-halve eeuw geleden, werk uit handen en nu komen de robots. Een groot vraagstuk bij de huidige, vierde, digitale revolutie is wat het effect is op het werk zelf. Al het werk dat volgens vaste patronen verloopt, van uitvoerende handelingen tot het beantwoorden van standaard vragen aan een helpdesk, zal vroeg of laat worden geautomatiseerd. De grote vraag is wat uniek is aan een mens: wat kan een mens wel en een computer niet? Sowieso geen verkeerde vraag om eens over na te denken. Menselijk contact, sociale vaardigheden, creativiteit in al zijn vormen, nieuwe dingen ontwikkelen en organiseren, werk waarvoor vakmanschap en flexibiliteit vereist is en in het algemeen alles wat nieuw en uniek is.

Iets anders is dat ‘computerdenken’ in vrijwel iedere functie een grote rol is gaan spelen. En dit is kennelijk een hele aparte manier van denken. Ik heb hoogopgeleide beroepsmensen zoals grafisch ontwerpers en fotografen gekend die gestopt zijn met hun beroep omdat ze niet goed met een computer overweg konden. Ook hoogopgeleide medewerkers die zo onhandig waren in hun algemene computervaardigheden, dat je je vragen kunt hebben bij hun professionaliteit. Aan de andere kant maak ik mensen mee die op hun tachtigste nog moeiteloos met hun kinderen in Canada mailen en Skypen. Digibeet-zijn heeft ongetwijfeld te maken met intelligentie, maar bovendien met het ontbreken van een specifieke computerknobbel.

Het fabeltje van de ‘digital natives’ die nieuwe techniek zo goed begrijpen omdat ze ermee zijn opgegroeid, geeft mij het idee dat er nog iets anders dan een goed verstand komt kijken bij een succesvolle ‘migratie naar de nieuwe, virtuele wereld’. De gemiddelde ‘jongere’ snapt net zo veel of weinig van nieuwe techniek als een ‘oudere’, alleen zit hij daar niet mee. Hij begint gewoon op knoppen te drukken en vroeg of laat doet het ding wat hij wil. Meestal. Dat hij de rest niet begrijpt, interesseert hem niet. Ook een manier om het op te lossen. Toch zit daarin misschien nou juist de clue: je kunt de hersens en de vaardigheden wel hebben om bepaalde dingen te doen, maar wil je het wel? Is er niet iets in je dat zich ertegen verzet? Bijvoorbeeld dat je je oude manier van werken niet los wilt laten? Net zoiets als heimwee: als je je oude wereld niet kunt loslaten, wordt het niets in de nieuwe wereld.

Van Sommersby tot kunstmatige (virtuele) identiteit

Gedoe over de identiteit van mensen is van alle tijden. Als je leeft in een geïsoleerd dorp, dan weet iedereen (of denkt te weten) wat hij aan jou heeft, uit welke familie jij komt en hoe jij persoonlijk bent. Zelfs als iemand je nog nooit persoonlijk heeft ontmoet, herkennen ze je vaak al aan je gelaatstrekken (‘Jij bent er één van Piet en Marie’) en ‘weten’ dan al hoe je bent (de veronderstellingen). Als in de film Sommersby een onbekende persoon bijvoorbeeld aanklopt bij de vermeende weduwe Laurel Sommersby en zegt dat hij haar doodgewaande echtgenoot Jack is, die vele jaren eerder vertrokken was, dan is het de vraag hoe ze kan vaststellen of dit klopt. Het enige wat Laurel kan doen, is naar specifieke dingen vragen, die alleen Jack kan weten. Na een tijdje gelooft Laurel de nieuwkomer wel, meer omdat zij hem wel leuk is gaan vinden, dan omdat het zo overtuigend is bewezen dat hij Jack is. Daarmee lijkt de kous af, ware het niet dat de schoenmaker van het dorp nog een schoenleest van de originele Jack had en die past de nieuwe Jack toch echt niet. De moraal van de film is dat liefde identiteit overwint en de moraal van mijn verhaal dat zodra je leven niet meer begint en eindigt bij de vijftig-kilometerbordjes van je dorp, het echte gedoe over je identiteit begint.

Niet alleen wordt de onzekerheid over je ware identiteit veel groter in de wereldwijde, virtuele wereld van internet, maar ook de rol die het speelt in het maatschappelijke verkeer. Je kunt ongelooflijk veel zaken online regelen, sterker nog, steeds meer zaken kun je alleen nog maar online regelen: burgerzaken, geldzaken, reserveringen van reizen, maar ook je sociale contacten. Je kunt in Nederland niet meer volwaardig leven zonder internet. En de hoeksteen in deze virtuele samenleving is je (virtuele) identiteit.

Ongevraagde babyspulletjes

Er is inmiddels een wereldwijde ‘identiteitsindustrie’ opgetuigd voor het verificeren van je identificatie (wie ben jij) en je authenticatie (klopt het dat je bent wie jij zegt dat jij bent) en het management van je autorisatie (het koppelen van rechten aan jouw identiteit). Je identiteit is vastgelegd in een grote hoeveelheid systemen, waarvoor je in een klein deel van de gevallen een ‘card’ of pasje krijgt, zoals je id-card, pinpas, creditcard, rijbewijs, ov-pas, ziektekostenverzekeringspas, museumjaarkaart, bibliotheekpas, en al die voordeelpassen en spaarkaarten die over je uitgestrooid worden. Naast de systemen waarvoor je een pasje krijgt, figureert je identiteit nog ongevraagd in een onafzienbare hoeveelheid andere systemen en worden al die systemen ook nog eens steeds meer onderling verbonden. Het toverwoord bij dit laatste is ‘Big Data’, waarbij algoritmes vaststellen wie wat wanneer waar heeft gedaan. Dit kan ertoe leiden dat een vrouw tot haar stomme verbazing babyspulletjes krijgt toegestuurd, terwijl zijzelf nog niet eens wist dat ze zwanger was. Maar ook dat je op het vliegveld door zwaarbewapende beveiligers uit de rij voor de paspoortcontrole wordt gehaald, omdat een algoritme zegt dat je een terrorist bent.

’You never walk alone’

Jij kent ze vast ook wel, de mensen die in hun eentje druk orerend over straat lopen. De eerste keer dat ik het zag, dacht ik dat het zo’n triest, psychiatrisch geval was, die praatte met de stemmen in zijn hoofd, maar hij of zij bleek te communiceren met de stemmen in het headsetje van zijn mobiel. Ik moet hier nog aan wennen, net als aan tv-verslaggevers die duizend kilometer verderop in hun eentje tussen mensen doorlopen en met ons praten. Tot voor kort stond zo’n verslaggever voor een dikke camera te praten, wat duidelijk maakte aan de mensen ter plekke hoe het in elkaar zat. Nu zie je mensen verwonderd kijken waar zo’n type nu eigenlijk mee bezig is. Net als ik dus.

Zo’n handsfree beller of verslaggever is niet meer volledig met zijn ‘hoofd’ bij waar zijn lichaam zich dan bevindt. Dat is niet nieuw, maar het ontbreken van zichtbare tekens als een telefoon (jaren geleden dacht ik steeds dat mensen oorpijn hadden) of een camera schept verwarring bij mij. En zet mij aan het denken. Eigenlijk zie je dat overal, dat van elkaar losraken van je ‘ik’ en je lichaam. Denk aan het werken ‘in the cloud’ (niet meer werken in de lokale desktop van je computer, maar in je persoonlijke, virtuele desktop van je werk, waarop je vanaf iedere computer, laptop of tablet kunt inloggen) en smartphones, -watches en -glasses waarmee iedereen permanent draadloos online is en informatie ophaalt of wegstuurt. Je lichaam loopt of fietst daar nog wel als vanouds, maar je ‘ik’ is grotendeels uitgetreden voor ontmoetingen of werk in the cloud. Je probeert net voldoende aanwezig te blijven in je lichaam om te voorkomen dat je ergens tegen oploopt of -fietst. Andersom laat je informatie uit the cloud in je werkelijke wereld lopen en laat je je bijvoorbeeld door een navigator leiden door een vreemde stad, laat je een andere app je vertellen waar nog een parkeerplek is, of check je 9292ov op welk perron je moet zijn. Heb je nog even tijd over, dan ga je nog even op jacht naar een Pokémon en haalt je schouders op over het onbegrip van een toeterende automobilist als je daarbij de weg op rent. En zie je wat verweesde mensen ergens hulpeloos offline op een bankje zitten, dan flitst het even door je heen: ‘Zouden ze nog te helpen zijn? Maar hoe kan ik ze bereiken?’

Dat losraken van elkaar van je ‘ik’ en je lichaam kun je zien als een brede, langlopende trend. Je ziet het al in onze waarneming, waarbij we ons door middel van onze zintuigen bezighouden met dingen die niet hier. Bij het oudste zintuig van de smaak moesten we iets nog in ons opnemen om het waar te nemen. Bij reuk is het opnemen van een luchtje van dat andere al voldoende. Bij tastzin hoefden we het alleen tegen onze huid aan te houden en bij horen en zien kunnen we dingen al op afstand waarnemen.

Vroege mijlpalen in die trend zijn het maken van werktuigen, rotstekeningen en het schrift. Hiermee maak je iets dat los van jezelf blijft bestaan en die je in gedachten naar een andere tijd of plaats kunnen brengen. Bij een werktuig kun je je bijvoorbeeld afvragen waar je hem ook al weer hebt gelaten, dat je hem morgen voor iets nodig hebt en hoeveel tijd het kost om hem eventueel opnieuw te maken. Bij rotstekeningen en het schrift komt nog iets bijzonders. Tot dat moment moesten alle waarnemingen en gedachtes die je wilde vasthouden, uit je geheugen komen, maar door te gaan tekenen en schrijven, kon je deze hersenfunctie ‘outsourcen’ naar een tekening of geschreven tekst (zie ook Waar zit je verstand eigenlijk?). Socrates klaagde al dat boeken ruïneus waren voor je geheugen. Niet alleen ga je voor het eerst in gedachte uit naar iets buiten het hier en nu van jezelf, maar bovendien zet je je eerste stap op de weg naar de eerdergenoemde ‘uittreding van je ‘ik’ naar the cloud.

Lichaamsbewustzijn

Laatste wijziging: 5 oktober 2016

Lichaamsbewustzijn is het weten hoe je lichaam zich beweegt, waar het zich bevindt ten opzichte van de andere dingen in je omgeving en wat er omgaat in je lichaam. De term ‘lichaamsbewustzijn’ is eigenlijk misleidend omdat je je van je meeste bewegingen helemaal niet bewust bent en dat je dat ook maar beter zo kunt houden. Lichaamsbewustzijn komt met andere woorden vooral neer op een ‘onbewust weten’. Waar het om gaat bij al die gevallen waarbij je bewegingen uiterst precies komen – denk aan het bespelen van een muziekinstrument, aan ballet, atletiek, tennis, voetbal, kunstschaatsen, enzovoort – is juist dat je leert ze onbewust uit te voeren. Een belangrijk deel van het aanleren van dergelijke precieze vaardigheden komt er natuurlijk op neer dat je je lichaam in de juiste conditie moet brengen en houden: spieren, gewrichten en reflexen moeten afgestemd worden op dit doel. Maar verder moet bijvoorbeeld een violist of pianist niet meer hoeven kijken waar de juiste positie op zijn instrument zit, dat moeten zijn spieren als het ware weten. Als je een ervaren musicus aansluit op een hersenscanner en hem vraagt een partituur alleen te lezen, dan moet je een beeld te zien krijgen dat veel lijkt op het beeld als hij de partituur daadwerkelijk zou spelen.

Mensen zijn van nature flink verschillend in hun fijne en grove motoriek. De één kan met hele precieze bewegingen kleine voorwerpen oppakken en de ander stoot voortdurend dingen om. Ook is het heel leuk om te zien hoe mensen die nooit voetballen, aan komen rennen en een bal een trap proberen te geven. Of wat dacht je van dansen? Je kunt met recht spreken over lichamelijke intelligentie.

Je lichaam wordt vooral onbewust aangestuurd, zeg maar door je automatische piloot. Hoe belangrijk die is, merk je als hij een klein beetje hapert door bijvoorbeeld slaapgebrek of een flinke kater. Niet alleen stoot je vaker tegen dingen aan, maar die hele multitasking machine gaat ineens raar doen. Je hele routine is weg waarmee je anders je anders je espressoapparaat aan het werk zet, kopjes pakt en een pak koekjes openmaakt, terwijl je met het bezoek aan het praten bent.

Dr Strangelove

Apraxie is het verschijnsel dat een lichaamsdeel van iemand een eigen leven gaat leiden. Er zijn meerdere gevallen bekend van mensen waarvan een hand een eigen wil lijkt te hebben, zoals in de film Dr Strangelove. Altijd is er sprake van een eenzijdige stoornis, meestal links bij rechtshandigen. Het is geen onhandige beweging, zoals het omstoten van voorwerpen, maar het oncontroleerbaar uitvoeren van handelingen die je op dat moment helemaal niet wilt uitvoeren. Een ‘vreemde hand’ verandert de relatie van je ‘ik’ en je lichaam, want ineens is er een deel van je lichaam waarvan je niet meer het gevoel hebt dat het van jou is.

Ook hier lijkt weer een verband te bestaan met je eerdergenoemde spiegelwereld. Zoals ik al schreef: ‘een half woord of half beeld is voldoende om je automatisch de rest zelf te laten invullen’. Het is een belangrijke functie die je in staat stelt te anticiperen op gebeurtenissen zodat je veel sneller kunt reageren, maar waardoor je ook minder zwaar een beroep hoeft te doen op je hersencapaciteit. Het is een functie die sterk pro-actief wordt uitgeoefend, zo pro-actief dat je soms al iets hebt gedaan zonder dat je het wilde, omdat je er niet sterk genoeg tegenin ging. Mij overkomt het wel eens dat ik de badkamer inloop zonder het licht aan te doen en dat ik bij het weer naar buiten gaan het lichtknopje toch indruk, terwijl ik weet dat ik dat dan niet moet doen, want dan doe ik het licht juist aan.

Veel gedrag lijkt te berusten op twee mechanismen: ‘voorgekookte’ handelingen die door je omgeving opgeroepen worden en een controle-mechanisme die deze handeling zo nodig afremt of stopt. Als dit controle-mechanisme door een hersenbeschadiging (in dit geval het corpus callosum en de frontale schors) niet goed meer werkt, dan kun je de door de omgeving opgeroepen handeling niet meer tegenhouden. Je wordt een speelbal van je omgeving. Victor Lamme geeft in Vrije wil bestaat niet het voorbeeld van iemand die een glas water van een ander oppakt en leegdrinkt, terwijl hij weet dat dat ongepast is. En als er een bril op tafel ligt, dan zet hij hem op, ook al heeft hij er al twee op.

Imitatie is ook een handeling die voortdurend automatisch wordt voorbereid als onderdeel van je inlevingsvermogen. Dit imiteren of meebewegen is soms gepast en soms absoluut ongepast. Een beschadiging van de frontale schors kan ertoe leiden dat iemand te pas en te onpas anderen imiteert. Lamme noemt ook het verwante verschijnsel van het syndroom van Gilles de la Tourette, waarbij allerlei tics optreden, evenals het uitstoten van obsceniteiten. Net zoals iemand oncontroleerbaar obsceniteiten uitkraamt, kan iemand oncontroleerbare obscene gebaren maken (een variant op de ‘vreemde hand’ bij apraxie). ‘Gilles de la Tourette’ is overigens aangeboren, terwijl apraxie het gevolg is van een hersenbeschadiging door bijvoorbeeld een beroerte. Bij ‘Gilles de la Tourette’ zijn het korte, ongerichte uitbarstingen die het hele lichaam bestrijken, terwijl het bij ‘vreemde hand’ gaat om constante, doelgerichte handelingen van één lichaamsdeel.

Auto’s en andere kunstledematen

Lichaamsbewustzijn is ook weten wat er bij je lichaam hoort. Leren autorijden betekent dat je als het ware je lichaamsbewustzijn moet uitbreiden met een auto. In het begin heb je het gevoel dat hij vreselijk groot is en dat je ogen tekort komt om te voorkomen dat je overal tegenaan rijdt. Gaandeweg begin je aan te voelen waar het zich ten opzichte van de andere dingen in de omgeving bevindt en wordt het een deel van jezelf. En niet alleen waar dat ding zich bevindt, maar ook hoe je alle functies soepel en reflexmatig uitvoert, bijvoorbeeld ‘gedachteloos’ achteruit inparkeren met een aanhanger. Ik heb eens de handelingen van de bestuurder van een graafmachine bestudeerd. Het leek wel of het zijn eigen arm was, zo natuurlijk, snel en precies als hij die enorme mechanische arm bewoog.

In een bekend experiment, het zogenoemd ’rubberen hand-experiment’, wordt een proefpersoon achter een tafel gezet, waarbij een tussenschot één hand aan zijn zicht onttrekt. De onzichtbare hand van de proefpersoon is vervangen door een rubberen kunsthand, die voor hem op de tafel ligt. De leider van het experiment voert met een kwastje tegelijkertijd en op dezelfde manier een strijkende beweging uit op de rubberen hand en op de echte hand. De proefpersoon voelt de aanraking van zijn echte arm en ziet de aanraking van zijn kunstarm. Al na een paar minuten krijgt hij het gevoel dat de kunstarm echt van hem is. De wrede grap die meerdere malen is uitgehaald, is om vervolgens plotseling met een hamer een klap op de kunsthand te geven, zodat de proefpersoon echt de sensatie krijgt alsof er op zijn vingers wordt geslagen.

Een kunstledemaat verandert de relatie van je ‘ik’ en je lichaam, want een eigen ledemaat van je lichaam is vervangen door een kunstledemaat, of je hebt er een kunstledemaat bij gekregen. Het betekent dat je de nieuwe, vreemde ledemaat moet opnemen in je lichaamsbewustzijn. Je weet dan onbewust hoe het beweegt, zodat je er niet steeds bewust mee bezig hoeft te zijn. De aansturing van een ouderwetse kunstarm gebeurde heel lang puur mechanisch. Nu wordt er steeds vaker gebruikgemaakt van een directe koppeling aan je zenuwstelsel, waardoor je de kunstarm net als een echte arm met je gedachtes kunt aansturen.

Maar ook een auto of een graafmachine betekent een verandering van de relatie van je ‘ik’ en je lichaam, zij het tijdelijk. Zeker bij zo’n graafmachine zul je na een lange dag hiermee werken, het gevoel hebben dat het deel van je lichaam is geworden.

Kunstmatige intelligentie

De bovengenoemde chauffeur van de graafmachine heeft als het ware zijn ik-gevoel uitgebreid met de graafmachine, die nu ook bij zijn lichaam hoort. De chauffeur had toen zo te zien weinig moeite met de aansturing, maar stel dat de graafmachine niet één maar drie graafarmen zou hebben. In dat geval zou wat assistentie bij de aansturing welkom zijn.

Wat we doen is kunstmatige intelligentie inzetten bij onder meer het bijsturen van al die graafarmen, om te zorgen dat de schep horizontaal blijft en ze hun lading niet verliezen. David Abbink van de TU Delft ontwikkelde de zogenoemde haptische manier van stuurcorrectie voor auto’s. Het stuur wordt niet van je overgenomen, maar het stuur laat je door tegendruk voelen dat je bijvoorbeeld te veel naar de zijkant van de weg aan het sturen bent. Haptische stuurcorrectie activeert je reflexen en dat is veel sneller dan bijvoorbeeld een geluidsignaal of lichtje, wat bewust verwerkt moet worden.

Na een dag werken voelt ook die enorme, haptische, drie-armige graafmachine helemaal aan als een deel van jezelf. Kunstmatige intelligentie maakt het in principe mogelijk om je ‘lichaam’ eindeloos uit te breiden. Je eigen capaciteit om al die complexiteit aan te sturen, je intelligentie, blijft natuurlijk hetzelfde, maar door deze aan te vullen met kunstmatige intelligentie, is dat prima te doen. Het is natuurlijk niet zo dat er een grens is tot waar je eigen intelligentie werkt en van waar het wordt overgenomen door de computer. De aansturing van de hele machine wordt over de hele linie uitgevoerd door een mix van eigen en kunstmatige intelligentie. Je krijgt het gevoel dat de machine volledig deel van jezelf is geworden, maar je hebt maar een beperkt aandeel in de feitelijke aansturing. Naarmate de machine complexer wordt zal dit aandeel kleiner worden. En natuurlijk als je de computer ‘harder zet’ omdat je gewoon niet zo veel zelf wilt doen. Dit laatste gebeurt met de ontwikkeling van zelfsturende auto’s: stapje voor stapje worden er nieuwe, automatische functies aan toegevoegd, die jou werk uit handen nemen.

Kunstmatige intelligentie verandert op allerlei manieren de relatie van je ‘ik’ en je ‘lichaam’. Allereerst natuurlijk doordat het je mogelijk maakt om ook complexere machines aan te sturen en daarbij het gevoel te krijgen dat het een deel van je eigen lichaam is. Dit zal beter gaan naarmate de bediening, de interface, ‘intuïtiever’ is. Maar het zorgt bovendien voor een subtiele verschuiving in wat je feitelijk aanstuurt en wat je de illusie geeft dat je het aanstuurt. We zagen dit ook al bij je bewustzijn: je bewustzijn heeft de illusie dat het dingen aanstuurt die feitelijk door je onbewuste worden aangestuurd. Nu gebeurt dit bij kunstmatige intelligentie. Hier kun je echt spreken van het outsourcen van niet alleen je intelligentie, maar ook van je lichaamsgevoel.

Het gesprek met jezelf

Laatste wijziging: 5 oktober 2016

In mijn vorige blog schreef ik dat je bewustzijn zeker niet de functie heeft van je oppermachtige commandocentrum die alles regelt, maar meer die van woordvoerder. Gedachtes en beslissingen vormen zich onbewust en je bewustzijn speelt slecht een rol bij de communicatie daarover met de buitenwereld, met je soortgenoten. Wat overigens niets afdoet aan de waarde daarvan. In ieder geval is de rol van je bewustzijn wat bescheidener dan eerst werd gedacht. Maar misschien is er een tweede rolletje weggelegd voor je bewustzijn: gesprekspartner voor ‘je innerlijke gesprek’, het gesprek met jezelf. Nee, ik ben geen zweefneef geworden, laat me het uitleggen.

Je kent ongetwijfeld de ervaring van het worstelen met een lastige beslissing. Wat vaak helpt, is om er met iemand over te praten. Soms maakt het niet veel uit wat de ander zegt, alleen al het uitspreken van je gedachtes tegen een ander helpt je verder. De ander is je spreekwoordelijke klankbord. Door jezelf hardop een gedachte te horen uitspreken, word je vaak op nieuwe gedachtes gebracht. Alleen al de ogen van de ander kunnen hiervoor voldoende zijn, daar hoeft hij geen wenkbrauw voor op te trekken.

‘Gesprek’ moet je in overdrachtelijke zin opvatten. Waar het om gaat, is dat je een gedachte omzet naar een uitspraak en daarmee iets nieuws creëert. Maar voor die omzetting heb je wel ruimte nodig. Die ruimte ontstaat door de aanwezigheid van een ander, of die nu werkelijk aanwezig is, of slechts in gedachte en of die nu wat zegt of niet. Dat is de werking van een klankbord. Dat is ook hoe bijvoorbeeld gesprekstherapie werkt. Het gaat er niet om wat de therapeut zegt, maar om het gesprek met jezelf waartoe zijn aanwezigheid je aanzet.

Met behulp van je innerlijke gesprek nieuwe dingen scheppen is ook de essentie van creativiteit. Een schilder die even een paar passen achteruit gaat van zijn schilderij, verandert daardoor het perspectief en krijgt zodoende een impuls voor hoe hij verder moet gaan. Als ik wat vage muzikale ideetjes opneem en vervolgens luister naar het resultaat, brengt mij dat op nieuwe ideeën. Een schrijver krijgt nieuwe ideeën of bedenkingen bij zijn gedachtes door ze op te schrijven. Fictie-schrijvers weten overigens alles van het ‘terug praten’ van hun schepping. Voordat je het weet, gaan je personages een eigen leven leiden en verdommen dat te doen waarvoor je ze had bedacht.

Vaak krijgen scheppende kunstenaars als ze weer iets bijzonders hebben gemaakt, te horen: ‘waar haal je het vandaan’, of ‘hoe kom je erop’. Het antwoord moet zijn ‘door met mezelf in gesprek te gaan’. En dat doe je door bijvoorbeeld een onbewuste gedachte om te zetten naar een bewuste gedachte, door het hardop te zeggen, door het op te schrijven, door te ruiken aan wat kruiden en ze vervolgens toe te voegen aan je gerecht, door een penseelstreek aan te brengen op het doek en een stapje terug te doen en te kijken, door een stukje muziek op te nemen en er vervolgens naar te luisteren. En dan komt stap 2: ‘luisteren’ naar wat je net hebt gedaan en wat dit je zegt. En als het je nog niets zegt, dan moet je wat anders doen om je ‘eigen’ gedachtes te onderbreken en opnieuw te luisteren of je iets wordt ‘ingefluisterd’. Inderdaad, ‘inspiratie’. Na een paar uur kunnen er zo dingen uit je handen komen die ook voor jezelf volkomen nieuw zijn.

Een tweede rol van je bewustzijn zou dus iets in verband met dat klankbord voor je ‘innerlijke gesprek’ kunnen zijn, wat natuurlijk mooi past bij zijn rol van woordvoerder bij het externe gesprek met je medemens.

De Nederlandse, existentialistische psycholoog B.J. Kouwer (1924-1968) heeft nieuwe grondslagen voor de psychologie ontwikkeld, gebaseerd op het idee van ‘gesprek’. Maar dat terzijde.

Veronderstellingen, spiegelneuronen en waarneming

Er wordt wel eens gezegd dat we leven bij de gratie van de veronderstellingen. We reageren niet zo maar op wat we op dat moment waarnemen, maar vooral op wat we veronderstellen wat er gaande is. Die veronderstellingen zijn gebaseerd op je ervaringen en andere vooringenomenheden. Bij een versleten huwelijk is daar geen doorkomen meer aan: ‘Jij ook altijd …’. Er zijn nu aanwijzingen dat dit niet alleen een slechte gewoonte is, maar ook komt door hoe we gebouwd zijn. Onze hersenen blijken uitgerust te zijn met speciale neuronen voor het nabouwen van de externe wereld: spiegelneuronen. Met je spiegelneuronen bouw je in je hoofd een spiegelwereld na van alles wat je bezighoudt in de buitenwereld.

Een half woord of half beeld is voldoende om je automatisch de rest zelf te laten invullen. Zo kun je veel sneller reageren en als het beeld of geluid slecht is (of als je ogen of oren niet meer zo best zijn), kun je er toch nog iets begrijpelijks uit halen.

Zintuiglijke waarneming werkt ook met dit principe. Het zit al in het woord ‘waarneming’, wat vertegenwoordiging of representatie betekent. Zintuiglijke waarneming is het in je hoofd vormen van een representatie van de informatie die je in de buitenwereld met je zintuigen hebt opgepikt. Het is overigens niet zo dat de waarneming voltooid is als je je ervan bewust bent geworden. Bewustzijn is niet meer dan een mogelijk bijproduct. Wat ik al zei, onze ‘woordvoerder’ wordt lang niet altijd bijgepraat. Bij een visuele waarneming worden de eigenschappen van het voorwerp uitgesplitst in dingen als vorm, grootte, textuur, kleur, beweging. Al die gegevens gaan naar verschillende plaatsen in je hersens, waar ze beoordeeld worden op wat je ermee moet doen. Als het organisch gevormd is, vrij groot, harig, bruin en het komt op je afgestormd, dan hebben je hersens al lang geconstateerd dat het een kwade beer is en ben je aan het rennen voordat je je hiervan bewust ben. Overigens betwijfel ik of wegrennen voor een kwade beer erg zinvol is.

Er zijn ook dingen die kennelijk zo belangrijk zijn om snel en goed te herkennen dat we er een apart hersenonderdeel voor hebben, zoals gezichtsherkenning. Net als bij zo veel andere dingen realiseer je je pas hoe bijzonder dat vermogen is als het niet meer werkt. Gezichtsblindheid (prosopagnosie) kan je sociale leven behoorlijk onderuit halen. De bekende neuroloog Oliver Sachs (Van ‘De man die zijn vrouw voor een hoed hield’) beschrijft een schapenboer die zijn eigen vrouw niet kon herkennen, maar wel zijn honderd schapen uit elkaar kon houden (waar het mee begonnen is, wordt niet vermeld).

Het fenomeen van de spiegelwereld is ook in het volgende terug te zien. De hersenactiviteit van iemand die kijkt naar een tenniswedstrijd lijkt op die van iemand die zelf iets dergelijks uitvoert: je ziet zijn motorische hersenen meebewegen. Als ik naar een bokswedstrijd kijk, kan ik niet stilzitten. Heel gênant. De denkbeeldige bokser in mij, neemt dan bezit van mij. Het is heel dwingend, ik kan het niet laten mee te bewegen (en ik ben niet eens een liefhebber van boksen!). Dit is hetzelfde mechanisme als waar in film gebruik van wordt gemaakt: je creëert in je hoofd een spiegelwereld van wat je ziet en je ervaart deze fictieve wereld alsof hij echt is. Wat je in een film ziet, raakt je onontkoombaar, ook al weet je dat het niet echt is.

Inlevingsvermogen en zelfbewustzijn

Een belangrijk voordeel van een spiegelwereld is het inlevingsvermogen dat je daardoor krijgt. Als je al zo sterk kunt meeleven met de personages uit een speelfilm, kun je dat helemaal met de echte personen om je heen. Dit is waarschijnlijk ook een hele belangrijke evolutionaire functie van inlevingsvermogen: het stelt je in staat om in groepen te leven en samen te werken, wat de overlevingskansen van het individu aanzienlijk vergroot. Ik denk dat je de rol van inlevingsvermogen in de menselijke interactie nauwelijks kunt overschatten. Tot in het diepst van je gedachtes ben je op andere mensen betrokken. Inlevingsvermogen, je sociale voelhorens en vaardigheden, spelen een enorme rol in je maatschappelijk succes. Je kunt nog zo’n bolleboos zijn in een bepaald vak, maar als je inlevingsvermogen onderontwikkeld is, zul je er een harde dobber aan hebben om je maatschappelijke positie op hetzelfde niveau te krijgen als je vakbekwaamheid. En bewustzijn speelt daarin een grote rol.

Zelfbewustzijn is een bijzondere vorm van bewustzijn, nu is je eigen persoon onderwerp van je bewustzijn. Zelfbewustzijn en inlevingsvermogen gaan hand in hand, je kunt je alleen inleven in een ander als je ook enig besef hebt van hoe de ander jou ziet. Zelfbewustzijn is het beeld van je van jezelf hebt, waarbij alle anderen die je kent over je schouder meekijken.

Je onderbewuste en biofeedback

Je kunt je slechts bewust zijn van een beperkt deel van wat er in je omgaat. De lagere, autonome lichaamsfuncties vallen buiten het bereik van je bewustzijn. Dit wordt soms het onderbewuste genoemd, omdat het als het ware onder de drempel ligt van wat je kunt waarnemen. We missen de daarvoor benodigde zintuigen. Met behulp van zogenoemde biofeedback kun je deze grens oprekken. Biofeedback is een kunstmatig zintuig. Met behulp van een instrument kun je bepaalde fysiologische functies op een beeldscherm te kunnen waarnemen en deze zodoende in zekere mate te leren beheersen. Dit kan gaan om hersengolven, spierspanning, huidgeleiding, hartritme en pijnwaarneming. Het schijnt effectief te zijn bij hoofdpijn en migraine.

De werkelijkheid waarin je leeft

Bewustzijn (alles waar je je bewust van kunt zijn) tenslotte is ook de werkelijkheid waarin je leeft en die permanent op de achtergrond in je hoofd aanwezig is. Dit wordt bepaald door je erfelijke aanleg, je levensgeschiedenis, de collectieve geschiedenis van je cultuur, het nieuws wat er speelt en waar je in de desbetreffende periode mee bezig bent. Het is wat je bezighoudt. Als je fanatiek op zoek bent naar een nieuwe fiets, dan bestaat de hele wereld uit fietsen.

Bewustzijn staat niet los van je andere cognitieve functies, zoals intelligentie, geheugen, waarneming en taal. Als je iets niet opmerkt en even in je geheugen kunt vasthouden, kun je je er natuurlijk ook niet bewust van worden.

Er is ook altijd een spanningsveld tussen je bewustzijn en je onbewuste. Je onbewuste is weliswaar het deel van jezelf waarvan je je bewustzijn kunt worden, maar dit gaat zeker niet altijd vanzelf. Iedereen kent de ervaring dat je achteraf niet begrijpt waarom je iets niet ‘zag’. Dat kan gaan om je verdwenen sjaal, die gewoon op de kapstok blijkt te hangen, maar ook wat een ander bedoelde met een opmerking, of het effect van jouw opmerking op een ander. Psychotherapie gaat voor een belangrijk deel om het helpen ‘zichtbaar’ maken van ‘wat er eigenlijk gaande is’.

Samenvattend

We leven niet slechts bij de gratie van wat veronderstellingen, maar bij de gratie van een complete spiegelwereld. In je spiegelwereld komen de innerlijke wereld van je aanleg en ervaringen samen met je waarnemingen van de buitenwereld. Bij je innerlijke gesprek praat je met je spiegelwereld, die is je klankbord. Je communicatie met de buitenwereld vindt niet direct plaats, maar loopt via je spiegelwereld. Je kunt je inleven in een ander omdat deze geen complete vreemde is, maar deel uitmaakt van je spiegelwereld, met andere woorden van jezelf. Alles wat er onbewust in je omgaat, is geworteld in je spiegelwereld. En bij deze interne en externe communicatie speelt je bewustzijn een rol.

In de volgende delen wil ik ingaan op lichaamsbewustzijn, het uitbreiden van lichaamsbewustzijn bij het gebruiken van kunstledematen en exoskeletten, hoe het mogelijk is dat iemands hand een eigen leven gaat leiden, zoals in de film Dr. Strangelove, het overzetten van je ik-gevoel naar een ander bij acteren en het compleet uittreden uit je eigen lichaam bij het werken met een avatar.